Vakantie in eigen taal – beter dan dit blog!

Vakantie in eigen taalBegin maart is mijn nieuwe boek verschenen: Vakantie in eigen taal. Waar het over gaat, staat in de ondertitel, namelijk ‘Wat er mooi, gek en fout is aan ons Nederlands’. Het is beslist beter dan dit blog, al was het maar omdat een deel van de hoofdstukken de afgelopen jaren op dit blog gestaan hééft – maar toen nog in een ruwe versie.

Onder aan deze post zal ik meer over de inhoud zeggen, maar laat ik eerst anderen aan het woord laten. En als je het wilt bestellen: dat kan hier.

In Nederland noemde Frits Spits van de Taalstaat het boek op Radio 1 ‘onbevangen, kritisch, maar vooral ook vrolijk’. Je kunt zijn interview met mij nog terugkijken.

In België begint hoofdredacteur Filip Devos van het tijdschrift Over Taal zijn recensie met ‘De nieuwe Dorren is uit’, en noemt het boek ‘een verrukkelijke bundeling’ en ‘zeer aanbevolen voor de reiskoffer van alle taalliefhebbers’.

Lees verder

Geplaatst in boeken e.d., taal algemeen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Roede, roeien, (Karls)ruhe

het-moede-hoofd

Het moede hoofd, door Adri van den Beukel (klik voor meer)

Genootschap Onze Taal vroeg van de week op Twitter wat wij, de volgers, het beste of mooiste vonden: de moede vrouw, de moeë vrouw of de moeie vrouw. De vraag is een beetje onduidelijk, want het beste en het mooiste vallen niet altijd samen, ook niet als het om woorden gaat. Zo vind ik meizoentje de mooiste Nederlandse naam voor de Bellis perennis, maar madeliefje de beste, want ik denk dat die door veel meer mensen wordt begrepen. Maar goed, Onze Taal was benieuwd welke van die drie vormen onze voorkeur had, en we mochten zelf weten waar we die voorkeur op baseerden – zo heb ik het maar opgevat.
Ik zal de drie vormen een voor een langslopen, zonder meteen te verklappen welk antwoord ik zelf heb ingezonden, al was het maar omdat ik daar niet meer achter sta. Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , | 2 reacties

⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⩗⎞

minimum.jpgHier rechts zie je niet een schets van een zaag, een grasveld of een woelige zee, noch het gekrabbel van mijn vijfjarige ik die grotemensenschrijverij imiteert. Hier heeft een heuse volwassene echt iets geschreven: minimum.

Misschien had je dat al gezien, want het valt met wat moeite nog net te ontcijferen, maar makkelijk leesbaar is het allerminst. Dat komt door een zwak punt van ons alfabet: de gelijkenis tussen de handgeschreven i, n, u en m. In allerlei woorden ligt voortdurend verwarring op de loer, en daarom hebben schrijvers in de loop der eeuwen allerlei trucjes verzonnen.

  • Om te beginnen: puntjes op de i zetten. Dat lijkt nu vanzelfsprekend – al is het hierboven juist achterwege gelaten, met alle onleesbaarheid van dien – maar de oude Romeinen deden dat nog niet. En op hoofdletters doen we het nog steeds niet, want de hoofdletter I levert minder verwarring op. Meestal tenminste. Het verschil tussen Ieren en leren is minimaal, zeker in schreefloze lettertypes.
  • dominiIn de lettercombinatie ii kreeg de tweede i vaak een staart, eerst in handschriften, later ook in drukwerk. Op bijgaande titelpagina bijvoorbeeld, uit een achttiende-eeuws Latijns boek van ene Blasius Altimarus, koninklijk raadsman, oftewel Blasij Altimari regij consiliarij. In het Nederlands is dat duo korte i plus verlengde i zelfs een vaste combinatie geworden: de lange ij.
  • Engelse kopiisten (‘kopijsten’ schrijven we dan weer niet) vervingen de lettercombinatie um in twee woorden door ome, met als doel het woordbeeld helderder te maken: come en some. Die onregelmatige spelling heeft tot de dag van vandaag beklijfd. Maar waarom schrijft men in het Engels dan niet ook gome in plaats van gum? Antwoord: dat deden ze vroeger inderdaad. Maar bij zo’n laagfrequent woord als gum zijn drukkers erin geslaagd om alsnog een logische spelling door te drukken. Met some en come gaat dat niet meer lukken. Althans, van come heeft zich inmiddels wel degelijk de logische spelling cum afgesplitst, maar uitwisselbaar zijn die bepaald niet.
  • In het Noors is de m de enige medeklinker die aan het eind van een woord niet wordt verdubbeld als de voorafgaande klinker kort is. Ik weet niet of die regel als doel heeft om een lange reeks boogjes à la minimum te voorkomen, maar het zou me niet verbazen.
  • FrakturIn het Duits wordt de u vaak geschreven als ŭ, zodat het verschil met de n duidelijker is. In het oude Kurrent-schrift (de handgeschreven tegenhanger van het gedrukte Frakturschrift, dat in Nederland vaak als Gothisch wordt aangeduid) was dat boogje zelfs verplicht. Het verschil tussen n en u was in dat (hand)schrift anders nóg kleiner dan in het moderne schrift.
  • Toen het Turks in 1928 een eigen variant van het Latijnse alfabet kreeg, werd er naast de i ook nog een i zonder puntje geïntroduceerd, de ı dus. Daar lijken de ontwerpers niet goed over te hebben nagedacht (aldus de turkoloog Geoffrey Lewis), want er ligt weer volop verwarring op de loer. Toen ze zich dat alsnog realiseerden, stelden ze voor om de ı met de hand te schrijven als ĭ. Atatürk, de Turkse president en de gangmaker achter de invoering van het Latijnse alfabet, heeft zelf de ı consequent als ĭ geschreven, en trouwens ook de u als ŭ. Inmiddels is die gewoonte in Turkije verouderd.

Er zijn vast nog meer spellingregels en schrijfgewoontes die hun oorsprong vinden in de gelijkenis van de letters i, n, u en m. Wie weet nog andere?

Op de website Kennislink is mijn boek Vakantie in eigen taal uitverkoren tot een van de tien Zomerboekentips. Zou je me het plezier willen doen om je stem uit te brengen op mijn boek? Ga naar Kennislink en scroll helemaal naar beneden. Alvast bedankt!

 

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , | 2 reacties

De cruciale Duitse bidder

EcoTraduttore traditore, doorgaans vertaald als ‘de vertaler is een verrader’, is waarschijnlijk de enige Italiaanse uitdrukking in mijn actieve woordenschat. En afgezien van woordenboeken en dergelijk zal Umberto Eco’s La ricerca della lingua perfetta het enige Italiaanse boek in mijn kast zijn. Het heeft daarom wel iets toepasselijks dat ik van de week juist in dat boek een verontrustende vertaalfout aantrof.

LutherOp bladzijde 98 en 99 van de Engelse versie, In search of the perfect language, staat een passage waarin de auteur beweert dat voor de Duitse reformator Maarten Luther ‘German was the language closest to God’. Nu zijn soortgelijke beweringen volop gedaan over het Hebreeuws, Arabisch, Tamil, Koreaans en andere talen, misschien zelfs ook het Duits. Maar dat Luther die zin uit zijn ganzenveer zou hebben laten vloeien, leek me sterk. Niets voor hem.

Ik besloot het Duitse origineel op te sporen. Het is nog best een klus om een zinnetje te googelen waarvan je de precieze formulering niet weet, maar ik lijk het te hebben gevonden: …weil sie den deutschen Beter näher zu seinem Gott führt als alle Fremdsprachen. Oftewel, letterlijk vertaald: ‘…omdat ze (=de Duitse taal) de Duitse bidder nader tot God brengt dan alle vreemde talen’. Niet Luthers eigen woorden, overigens: het was de twintigste-eeuwse Duitse historicus Arno Borst die de opvatting van de reformator zo weergaf.

Die opvatting is nauwelijks schokkend of zelfs maar opmerkelijk te noemen. Als we in onze eerste taal het gemakkelijkst praten met andere mensen, dan ongetwijfeld ook met het opperwezen.

Hoe komt het dat de opmerking van Borst zo veel redelijker klinkt dan Eco’s weergave ervan? Dat komt natuurlijk doordat hij uitsluitend iets zegt over ‘de Duitse bidder’. Door die woorden weg te laten, doet Eco het voorkomen alsof de Duitse taal naar Luthers overtuiging een wonderbaarlijk vermogen heeft om iedereen, ongeacht zijn moedertaal, dichter tot God te brengen – ja, bijna alsof God zelf Duits spreekt. Die stelling zou keurig passen in Eco’s betoog dat moderne Europeanen hun talen tot in het lachwekkende verheerlijkten. Dat deden ze ook wel, en andere, minder beroemde Duitsers hebben daar vast aan meegedaan. Maar niet Luther. Die heeft juist geschreven: Ich halte es gar nichts mit denen, die nur auff eyne sprache sich so gar geben und alle andere verachten. Dat is dus 16e-eeuws Duits en ik begrijp het niet helemáál, maar een redelijke vertaling lijkt me ‘Ik ben het niet eens met degenen die maar één taal waarderen en alle andere minachten.’

Of heeft Eco die ‘nader tot God’-zin misschien wel goed geciteerd, maar heeft de Engelse vertaler misgekleund? Nee, James Fentress is onschuldig, want in het Italiaanse origineel ontbraken de cruciale woorden ook al: il tedesco è la lingua che più di tutte avvicina a Dio. Geen Duitse bidder te bekennen.

Ik realiseer me net dat ik nóg een Italiaanse uitdrukking ken: se non è vero, è ben trovato – ‘het is misschien niet waar, maar wel goed bedacht’. Alleen, Eco schreef in dit geval non-fictie, dus met ‘goed bedacht’ komt hij niet weg. Bovendien is de bewering omtrent Luther niet onjuist in een of ander kniesorig detail: het riekt ernaar dat de schrijver andermans tekst naar zijn hand heeft willen zetten.

***

Ik heb in de vertaling van James Fentress een klein foutje gevonden dat eerder grappig dan verontrustend is. Op bladzijde 85 wordt een zekere Giuseppe Giusto Scaligero genoemd, een 16e-eeuwse geleerde met vrij briljante taalkundige inzichten. Toevallig kén ik die man, al was het maar omdat hij in de Leidse Breestraat met een plaquette wordt geëerd. Niet-Italianen kennen hem als Joseph Justus Scaliger, een Fransman die in Leiden een aantal jaren doceerde en er ook stierf. Zijn vader was trouwens wél een Italiaan, alleen heette hij niet Scaligero, maar Della Scala.

Geplaatst in boeken e.d., vertalen | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Het Neder- of Platduitse labyrint

trau-di-watIn 1848 verscheen er een boek onder de titel Nederduitsche Grammatica, geschreven door dr. M.S. Polak. Raadsel: welke taal werd er in dit werk beschreven? ‘Nederduits’ is een voor de hand liggend antwoord. En als ik vraag welke talen er schuilgaan achter de namen Platdiets, Platduutsj en Plautdietsch, zal de verleiding groot zijn om drie keer ‘Platduits’ te antwoorden. Of opnieuw ‘Nederduits’, want dat betekent hetzelfde.

De vragen zijn zo simpel dat je misschien al lont rook. En terecht, want geen van de vier namen – Nederduitsch, Platdiets, Platduutsj en Plautdietsch – slaat op de datgene wat één tot twee miljoen Noord-Duitsers als hun moedertaal beschouwen: het Nederduits of Platduits, ter plaatse Plattdütsch genoemd. Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Meervoudig verenkelvoudigd meervoud

palmVan sommige woorden komen we vaker het meervoud tegen dan het enkelvoud. We hebben het soms over maden, maar eigenlijk zelden over één individu (tenzij over een ‘made in Germanij’, zoals Kees Stip schreef). We hebben het vrij vaak over sokken, maar over een enkelvoudige sok vrijwel alleen als zijn duopartner zoek is – als hij een onke sok is geworden dus, om een van mijn favoriete woorden te gebruiken.

Die dominantie van het meervoud kan gevolgen hebben. Dat blijkt wel bij de spoorwoorden rails en biels. Beide zijn meervouden, in ieder geval van oorsprong. Maar ik heb eigenlijk nooit anders gehoord dan één biels, twee bielzen, en die vormen blijken inderdaad al tientallen jaren door naslagwerken en tuincentra gesanctioneerd te zijn. Biels is dus een verenkelvoudigd meervoud. Met rails is het nog niet zo ver, misschien omdat we het nog wel eens hebben over railvervoer. Maar een rails hoor ik ook geregeld; een meervoud railzen klinkt mij vreemd in de oren, maar is online verre van zeldzaam. Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , | 6 reacties

Half Hongaars, half Hollands

Van GoghHet Hongaars heeft een gewoonte die tamelijk vreemd is, tot je bedenkt dat hij in het Nederlands ook voorkomt.

Fülem betekent ‘mijn oor’, maar kan ook ‘mijn oren’ betekent. Het woord fül ‘oor’ kan kennelijk het beeld oproepen van beide gehoororganen samen. Wil je benadrukken dat je het over maar één van je oren hebt, dan kan dat op meerdere manieren. Een mogelijkheid is egyik fülem, waarin egyik zo iets als ‘één ervan’ betekent. Maar interessanter is de andere mogelijkheid, félfülem. Letterlijk betekent dat ‘mijn halve oor’. Dat laat dus duidelijk zien dat een héél fül uit twee oren bestaat. Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal, vreemde talen | Tags: , , | 16 reacties

De kenmerkende roep van de bioloog

bioloogMoet je opletten wat er gebeurt als biologen de pen ter hand nemen. Natuurlijk gaan ze ze jargon gebruiken; dat is logisch. Dat daar grappige woorden als het poëtisch aandoende struweel en het rijmende plasdras tussen zitten, is alleen maar leuk. Maar zodra ze over sóórten gaan praten, treden er verschijnselen op, minstens drie, die ik als eindredacteur niet kan toejuichen. Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: , , | 14 reacties