Taaltoerisme: eerst hooggeprezen, nu laaggeprijsd!

TT2edrukGoed nieuws: mijn boek Taaltoerisme wordt vijf jaar na verschijnen niet meer geleverd. Binnenkort zijn puntgave, ongelezen exemplaren alleen nog verkrijgbaar bij mij. Niet meer bij de boekhandel, zelfs niet op de ramsjafdeling, want er valt niks te verramsjen.

‘Hoezo is dat goed nieuws?’ zul je vragen.

Nou, omdat het betekent dat ik de resterende doosjes nu eindelijk met korting mag aanbieden. En dat ga ik doen ook: met ingang van donderdag 20 april kost Taaltoerisme geen € 16 meer, maar minder dan de helft: € 7,95 (excl. eventuele verzendkosten).

We hebben het hier dus over een boek dat uitbundig is geprezen door NRC Handelsblad, The Guardian, The Times, The New Yorker, de Berliner Zeitung, Göteborgs-posten en El País, om maar een greep te doen. Want vertalingen van Taaltoerisme zijn bij inmiddels zes buitenlandse uitgevers verschenen, met een zevende op komst. (Dat laatste klinkt zwangerder dan ik het bedoel.) Het totale aantal verkochte exemplaren ligt al ver boven de 50.000.

Kortom, een mooi cadeau voor al je vrienden en collega’s die geïnteresseerd zijn in taal, of in de geschiedenis, de culturen en de samenlevingen van Europa, want over al die zaken gaat Taaltoerisme. En vergeet trouwens ook jezelf niet, als je het boek nog niet hebt.

Laat maar even weten hoeveel je er wilt hebben: gastondorren[at]xs4all.nl. Zo lang de voorraad strekt, uiteraard.

Geplaatst in boeken e.d., taal algemeen | Tags: | Een reactie plaatsen

Inburgeren in eigen land

Over straatnamenIk ben geboren aan een Berkelplein, op een steenworp van de Geul, en ik woon nu aan een Berkelstraat, op een boogscheut van een Geulstraat. Maar terwijl de Berkel- en de Geulstraat allebei naar riviertjes zijn genoemd, heet het Berkelpléín via kronkelwegen naar ene Heinric van Birckelaer. Tussendoor heb ik aan een Dorpsstraat gewoond, een staatsliedenstraat (Treub), een professorenstraat (Huijbers), een gracht (Oudezijds Achterburgwal), een dwarsstraat (Rustenburger-) en een schrijversstraat (Brederode).

Daarmee biedt mijn wooncarrière een aardig representatief beeld van de Nederlandse straatnamen, begrijp ik uit Over straatnamen met name van René Dings: zowel de thema’s (lokale historische figuur, rivier, geleerde, enzovoort) als de achtervoegsels (straat, dwarsstraat, plein en wal) komen veel voor. Moderne buitenwijknamen als Stuurboord en Koolwitje, zonder achtervoegsel, zijn me bespaard gebleven, maar mijn ouders hebben jaren aan de Wegedoorn gewoond, en mijn moeder daarna nog aan een ‘weg’ genoemd naar een bedrijf en een ‘baan’ genoemd naar een historisch beroep. Straatnaamtechnisch zijn we een familie Doorsnee.

Dat is een van de vele aardige dingen van Dings’ boek: het laat je een frisse blik werpen op je eigen verleden, je eigen stad en eigenlijk elke verzameling adressen. Natuurlijk wéten we dat Kerkstraten en Vondelstraten, Kennedylanen en Beatrixpleinen gangbaar zijn, en we snappen ook wel waarom. Maar Dings weet van het onderwerp een soort terloopse cultuurhistorie te maken, om niet te zeggen een inburgeringscursus in eigen land. Hij laat zien hoe de straatnaamgeving tal van grote verschijnselen in het klein weerspiegelt: de geleidelijke formalisering en bureaucratisering van het bestuur; de natievorming, met behulp van beroemde dode landgenoten; regionale verschillen, nationale trends en internationale invloeden; de waarden van onze samenleving en de waarde van het lokale onroerend goed. Dat alles soepel en lichtvoetig verwoord, doorspekt met goede anekdotes en hier en daar voorzien van een ironische noot.

Dings’ belangstelling en liefde voor taal (hij schreef eerder Weg om legging, over merkwaardig spatiegebruik) uit zich niet alleen in zijn stijl, maar ook in passages waarin de taal zelf centraal staat: uitspraak, spelling, etymologie – zelfs lijstjes van isogrammen, palindromen, panvocalische namen en meer van dat Opperlands ontbreken niet.

Nederland mag dan ruim een kwart miljoen straatnamen tellen, een onuitputtelijk onderwerp om over te schrijven vormen ze niet, zou je denken. Maar Dings vindt bewonderenswaardig veel invalshoeken. Een willekeurige greep uit de vragen die hij beantwoordt: Welke mensen worden pas na hun dood vernoemd, welke al bij leven? Waarom zijn Zeisstraat en Pastoor Visserstraat ongelukkige namen? Hoe zijn de straten van het Nederlandse Monopolyspel gekozen? Waarom heeft Hilversum wel een Betje Wolfflaan, maar geen Aagje Dekenlaan? En is de weg naar Kralingen echt zo oud?

Het boek laat weinig te mopperen over. Goed, als titel was wel iets beters te bedenken geweest. De zaak komt wat traag op gang – hoofdstuk 1 is denk ik het minst meeslepend. De formulering ‘de straatnaam is vernoemd naar’, die meermalen voorkomt, klinkt me vreemd in de oren. En ik had wel wat informatie over tweetalige straatnaamborden willen lezen, maar die stond vermoedelijk niet in de ‘Basisadministraties Adressen en Gebouwen’, Dings’ allerbelangrijkste bron.

Maar ach, veel belangrijker is dat Over straatnamen met name mijn verwachtingen een heel eind overtroffen heeft. Het is niet ‘wel aardig’, zoals ik voorzag; het is echt heel leuk. En waar ik vreesde dat het voorspelbaar zou zijn – ik loop tenslotte al een halve eeuw door Nederlandse straten, en ik ben zo iemand die naambordjes leest – vertoont het juist de glanzende keerzijde van de medaille der voorspelbaarheid: herkenbaarheid.

****

Over straatnamen met name. Waarom onze straten heten zoals ze heten. Door René Dings. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. € 17,50. ISBN 9789038803524.

Geplaatst in boeken e.d., Nederlandse taal | Tags: | 1 reactie

Onder polyglotten (met video)

tongEen tijdje terug heb ik een lezing gegeven voor een zaal met een paar honderd polyglotten – je zou het een poly-polyglottenpubliek kunnen noemen. Verrassend veel Britten en Amerikanen, voor wie de conferentie wel een soort lotgenotencontact leek. Thuis zijn ze een beetje raar.

Plaats van samenkomst was Thessaloniki (klemtoon op de voorlaatste lettergreep, weet ik nu). Een toepasselijke plaats natuurlijk, want polyglot is een woord van Griekse herkomst, van polys ‘veel’ en glôssa ‘tong’.  Ik heb er trouwens ook nog glôssa besteld en gegeten: tong als vis (hierboven afgebeeld) blijkt in het Grieks ook zo te heten. Lees verder

Geplaatst in vreemde talen | Tags: , | Een reactie plaatsen

Oei, au!

ieaouSequoia, de wetenschappelijke familienaam van de kustmammoet-boom, is een heel korte. Het Franse woord oiseau (‘vogel’) is een nog kortere. En de kop hierboven telt nog weer minder letters, maar bestaat uit twee woorden, dus da’s valsspelen. Dat neemt niet weg dat oei au wel het allerkortste schrijfsel moet zijn dat alle vijf de gewone klinkers omvat. (De y doet niet mee – die is Grieks, en vaak een medeklinker.) Kortere ‘panvocalische’ taaluitingen zijn niet mogelijk.

Of toch? Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal | Tags: | 8 reacties

Oproep: stel je taalvraag aan mij-in-KIJK!

KIJKSinds anderhalf jaar beantwoord ik taalkundige vragen voor het maandblad KIJK. De meeste komen van lezers, andere zijn geïnspireerd op vragen die voorbijkomen op sociale media of in mijn analoge sociale leven. Ik heb een aantal antwoorden ook hier op taaljournalist.nl geplaatst, en er zullen er zeker meer volgen. Lees verder

Geplaatst in taal algemeen, vragen aan KIJK | 5 reacties

Vraag aan KIJK: wat is de oudste taal?

Wat is de alleroudste taal?

papyrusOp die intrigerende vraag komen we meerdere antwoorden tegen. Het bijbelse antwoord luidt: het Hebreeuws, want dat spraken Adam en Eva in het paradijs. Die opvatting deelt de wetenschap niet. Een beter antwoord is: het Soemerisch. Dat is namelijk de taal van de oudste bewaard gebleven teksten, op kleitabletten van 3200 v.Chr. Maar praten deed de mens al vele tienduizenden jaren eerder dan schrijven, dus de alleroudste taal is het Soemerisch niet echt. Lees verder

Geplaatst in taal algemeen, vragen aan KIJK | Tags: , | Een reactie plaatsen

Verduitst, verfranst – verperzischt!

verindischenIk ben eruit, met dank aan @drabkikker (anagram van Dirk Bakker), @isoglosse  (Christian Bergmann) en @musiqolog (Wouter Steenbeek). En de winnaar is: verperzischt (met een eervolle vermelding voor gefarsificeerd). Dat is gewoon de regelmatige vorm. Weliswaar ziet die er gek uit, met die -scht achteraan. Maar vroeger werden verfranscht, verduitscht en verchineescht ook met -scht geschreven. Dat woorden op -isch , zoals Perzisch, hun stomme ch hebben behouden, is een rare uitzondering die uitsluitend op de spelling betrekking heeft.  Lees verder

Geplaatst in Nederlandse taal, vertalen, vreemde talen | Tags: | Een reactie plaatsen