Een neef trouwt, oma wordt tachtig of een oom en tante vieren hun gouden bruiloft. In een gestreken overhemd en een jasje meander ik door het verzamelde gezelschap, kom handen en lippen tekort om te begroeten en te feliciteren en doe mijn best alert te blijven teneinde mij bij elk nieuw gezicht tijdig de juiste naam te herinneren.
Terwijl ik, zo feestelijk mogelijk converserend, van de ene nicht via de andere oom naar het volgende neefje zwerf, spookt voortdurend één vraag door mijn achterhoofd: is dít mijn familie? Mijn ouders, mijn zus, ja, de verwantschap tussen hen en mij is zichtbaar en merkbaar genoeg. Maar die schelle dame die boven alle geroezemoes uit trompettert, is dat míjn tante? Die broer en zus van vijftien en zeventien, hij in opleiding voor jonge god, zij voor Miss Universe, deel ík daar een kwart van mijn genen mee? En die fauteuilvullende, apathische gestalte in de hoek – is die echt niet aangetrouwd? Nee, da’s vaders broer.
Wanneer ik dit naderhand aan mijn ouders vertel, maken ze tegenwerpingen. Stel je die en die dunner voor, of jonger, of let op zijn kin, haar ogen – zie je de overeenkomst? Die oudoom, dat nichtje, heeft aanleg voor wiskunde, praat je de oren van het hoofd, is opvliegend, kijkt je nooit aan – net als, je weet wel.
Oké, goed, jullie kennen ze beter dan ik. Als jullie het zeggen, zal het wel. Maar op het eerste gezicht – werkelijk, de bezoekers van een willekeurig toneelstuk lijken meer met elkaar gemeen te hebben. Die houden tenminste allemaal van toneel.
Deze impressie van mijn familieleven – weliswaar genoteerd met weinig respect voor details, om het volgende feest niet bij voorbaat te vergallen – is niet alleen op mij en, vermoedelijk, u van toepassing. Ze beschrijft, mutatis mutandis, ook de verwantschapsverhoudingen van de Nederlandse taal. Dat het Duits, het Engels en de Scandinavische talen nauwe verwanten zijn, daar kijkt u niet van op. Het zijn zussen, zeg maar (of broers, maar taal is een vrouwelijk woord), en de overeenkomsten binnen deze Germaans geheten familie vallen al snel op.
Maar buiten dit ‘taalgezin’ zijn er in Europa nog veel meer verwanten te vinden. Sterker nog: laten we de voormalige Sovjet-Unie even buiten beschouwing, dan kunnen alle Europese nationale talen hun afstamming herleiden naar een gezamenlijke oermoedertaal, met uitzondering van het Fins, het Hongaars, het Maltees en, vooruit, het Turks. Dus ook het Grieks, ook het Pools en ook het Albanees: het zijn allemaal nichten, allemaal afstammelingen van de Indo-Europese oertaal.
En dan zijn er nog de achternichtjes van deze Europese talen, de verre familieleden van de ‘Indo’-tak, die pas eind achttiende eeuw als zodanig werden erkend: de meeste talen in een groot gebied van Zuidoost-Turkije tot Bangladesh.
*****
Dit is een passage (blz. 33-34) uit ‘Nieuwe tongen’, een boek dat ik in 1999 publiceerde. Een vervolgpassage (blz. 37) staat hier.

