h1

Taal als familieaangelegenheid (1)

februari 17, 2012

Een neef trouwt, oma wordt tachtig of een oom en tante vieren hun gouden bruiloft. In een gestreken overhemd en een jasje meander ik door het verzamelde gezelschap, kom handen en lippen tekort om te begroeten en te feliciteren en doe mijn best alert te blijven teneinde mij bij elk nieuw gezicht tijdig de juiste naam te herinneren.

Terwijl ik, zo feestelijk mogelijk converserend, van de ene nicht via de andere oom naar het volgende neefje zwerf, spookt voortdurend één vraag door mijn achterhoofd: is dít mijn familie? Mijn ouders, mijn zus, ja, de verwantschap tussen hen en mij is zichtbaar en merkbaar genoeg. Maar die schelle dame die boven alle geroezemoes uit trompettert, is dat míjn tante? Die broer en zus van vijftien en zeventien, hij in opleiding voor jonge god, zij voor Miss Universe, deel ík daar een kwart van mijn genen mee? En die fauteuilvullende, apathische gestalte in de hoek – is die echt niet aangetrouwd? Nee, da’s vaders broer.

Wanneer ik dit naderhand aan mijn ouders vertel, maken ze tegenwerpingen. Stel je die en die dunner voor, of jonger, of let op zijn kin, haar ogen – zie je de overeenkomst? Die oudoom, dat nichtje, heeft aanleg voor wiskunde, praat je de oren van het hoofd, is opvliegend, kijkt je nooit aan – net als, je weet wel.
Oké, goed, jullie kennen ze beter dan ik. Als jullie het zeggen, zal het wel. Maar op het eerste gezicht – werkelijk, de bezoekers van een willekeurig toneelstuk lijken meer met elkaar gemeen te hebben. Die houden tenminste allemaal van toneel.

Deze impressie van mijn familieleven – weliswaar genoteerd met weinig respect voor details, om het volgende feest niet bij voorbaat te vergallen – is niet alleen op mij en, vermoedelijk, u van toepassing. Ze beschrijft, mutatis mutandis, ook de verwantschapsverhoudingen van de Nederlandse taal. Dat het Duits, het Engels en de Scandinavische talen nauwe verwanten zijn, daar kijkt u niet van op. Het zijn zussen, zeg maar (of broers, maar taal is een vrouwelijk woord), en de overeenkomsten binnen deze Germaans geheten familie vallen al snel op.

Maar buiten dit ‘taalgezin’ zijn er in Europa nog veel meer verwanten te vinden. Sterker nog: laten we de voormalige Sovjet-Unie even buiten beschouwing, dan kunnen alle Europese nationale talen hun afstamming herleiden naar een gezamenlijke oermoedertaal, met uitzondering van het Fins, het Hongaars, het Maltees en, vooruit, het Turks. Dus ook het Grieks, ook het Pools en ook het Albanees: het zijn allemaal nichten, allemaal afstammelingen van de Indo-Europese oertaal.

En dan zijn er nog de achternichtjes van deze Europese talen, de verre familieleden van de ‘Indo’-tak, die pas eind achttiende eeuw als zodanig werden erkend: de meeste talen in een groot gebied van Zuidoost-Turkije tot Bangladesh.

*****

Dit is een passage (blz. 33-34) uit ‘Nieuwe tongen’, een boek dat ik in 1999 publiceerde. Een vervolgpassage (blz. 37) staat hier.

h1

Taal als familieaangelegenheid (2)

februari 17, 2012

Naast de Indo-Europese bestaan er nog enkele tientallen andere taalfamilies, en allemaal hebben ze kenmerkende grammaticale eigenschappen – een soort familietics in woord- en zinsbouw – en een gezamenlijke basiswoordenschat. Hoe kan dat eigenlijk? Hoe komt het dat het woord voor ‘moeder’ op IJsland en in Bangladesh op elkaar lijkt? Hoe is het mogelijk dat een [basj] zowel in Istanbul als in het westen van China een ‘hoofd’ is? IJslanders lijken uiterlijk niet op Bengalezen en Turken evenmin op Oeigoeren, het bedoelde volk in West-China.

Hoe taalfamilies zich in de loop van duizenden jaren geschiedenis verspreiden, is spannender en ingewikkelder dan een detectiveroman, en meestal ook bloediger. Alle taalfamilies zijn ooit klein begonnen, als het taaltje van één volk, één stam, één clan misschien, woonachtig in een klein gebied, vele duizenden jaren voor het begin van onze jaartelling. (Of al deze taaltjes een gezamenlijke voorouder nog verder terug hadden of dat ze onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn, is een omstreden vraag.) Vandaaruit bevolkten ze andere, onbewoonde streken of vestigden zich tussen andere stammen, vreedzaam dan wel gewapenderhand.

Hoewel tegenwoordig bijna de halve wereldbevolking een Indo-Europese taal spreekt, moet ook de oermoedertaal van deze familie ergens een bescheiden bakermat (soms wel op zijn Duits Urheimat genoemd) hebben gehad. De ligging ervan is nog steeds omstreden. Wie zich hierin verdiept, stuit op een scala van landkaarten met gekleurde vlekken (de bakermat) en robuuste pijlen (de routes naar elders). Maar daar houdt de overeenkomst op; de plaats van die vlekken en pijlen verschilt sterk. Al naar gelang aan welk archeologisch, taalkundig of genetisch bewijsmateriaal de auteur de meeste waarde hecht, komen de Indo-Europeanen oorspronkelijk uit Rusland, de Balkan of Anatolië (Turkije). Van degenen die deze laatste stelling ondersteunen, menen sommigen dat de Indo-Europeanen zowel zuidelijk als noordelijk om de Zwarte Zee heen zijn getrokken op weg naar Europa. Maar volgens anderen zijn ze éérst oostwaarts gegaan, waar zich de Indo-Iraanse tak heeft afgesplitst, en toen pas met een grote lus door Rusland naar Europa. En de theorie dat de Indo-Iraanse tak juist uít Rusland is gekomen, heeft eveneens aanhangers. Chaos, kortom.

*****

Dit is een passage (blz. 37) uit ‘Nieuwe tongen’, een boek dat ik in 1999 publiceerde. Het is als e-boek nog te koop

h1

Dear Prudence

januari 20, 2012

Regeren is vooruitzien. Wie iets wil bereiken, letterlijk of figuurlijk, zal goed voor zich uit moeten kijken, letterlijk of figuurlijk.

Dat wisten de Romeinen al. De óúde Romeinen – dus niet Caesar en Cicero, die Klassiek Latijn spraken, maar de nog oudere Romeinen, meerdere eeuwen voor Christus, die Oud Latijn spraken. Zij waren het die het belang beseften van vooruit-zien, van pro-vidēre oftewel pro-videntia, het bijbehorende zelfstandig naamwoord.

Dat heldere woord werd helaas door hun slonzig sprekende opvolgers verbasterd tot prudentia, want wat wij kennen als Klassiek Latijn is in feite Oud Latijn vol klassieke fouten. En prudentia werd dankzij eeuwen van onverminderde slonzigheid tot het Franse en Engelse prudence.

Onze eigen voorouders, de wilde, bebaarde, dobbelende enz. Germanen hadden daar compleet niks mee. Vooruitzien? Dat komt straks wel. Wie dan leeft. Maar de beschaving schaafde ook aan hen en toen ze een paar eeuwen later hun wilde baardharen verloren en uitgedobbeld waren, kregen ze alsnog behoefte aan prudentia. Maar ja, hoe zouden ze dat nu eens noemen? Ze waren tenslotte geen Romeinen.

Sommigen onder hen wilden het Latijnse woord eenvoudigweg overnemen, maar conservatieven maakten daar bezwaar tegen – we moeten onze rijke Germaanse taal behoeden voor verval, de jeugd neemt steeds meer Latijnse woorden over, en meer van dat gemopper – en omdat oude lullen in die dagen nog in hoog aanzien stonden, kregen ze hun zin en mocht een oude lul met een gymnasiumdiploma het begrip prudentia vertalen. Iets met ‘voor’, begreep hij wel, en iets met ‘zien’. Voor-zienschap, voor-ziekunde, voor-zag-het-al, voor-zichtigheid… ja, dat was het: voorzichtigheid!

De andere Germanen mopperden wat, want ze vonden het nogal een lang woord en minder catchy dan prudentia. Maar ze stemden erover, en een groep die een bloedhekel had aan Romeinen (en Kelten en Grieken) en die terugverlangde naar de tijd dat Germanen nog gewoon dobbelden, had beloofd de vertaler te gedogen, met als resultaat dat hij toch een meerderheid kreeg. En zo zitten wij nog steeds opgescheept met dat tamelijk lelijke woord.

Prudentia, heb ik net gememoreerd, was een verbastering van providentia. Alleen, latere generaties Romeinen hadden dat niet meer zo door. Wel begrepen ze nog steeds dat wie ergens heen wil, goed voor zich uit moet kijken. Daar hoef je ook niet zo uitzonderlijk schrander voor te zijn, laten we wel wezen. Iedereen die wel eens in een vreemd huis geprobeerd heeft om ’s nachts zonder licht de wc te vinden, wéét: iets kunnen zien, dat helpt enorm. En zo kwam het dat die Latere Romeinen nog weer een keer het woord providentia bedachten.

Maar inmiddels zaten we al ruimschoots na Christus, en dus met christenen. Die spraken ook Latijn, en kaapten het woord: regeren is vooruitzien, hun god was de baas, dus hun god zag vooruit: de goddelijke providentia.

Een poosje later begaven de christenen zich onder de Germanen. Nadat die een poosje principieel ‘nee’ hadden gezegd (Bonifatius bij Dokkum enz.), gingen ze door de knieën en ’s zondags ter kerke, waarschijnlijk om van het gezeur af te zijn, net als mijn generatie in onze jeugd. Maar na een paar eeuwen christendom begonnen ze het bezwaarlijk te vinden dat ze nog steeds bitter weinig begrepen van wat ze geloofden. Het werd tijd om het christendom te vertalen. Alleen, hoe vertaal je providentia? Een Germaan die op seminarie had gezeten piekerde en piekerde. Iets met ‘voor’, iets met ‘zien’… En niet ‘voorzichtigheid’, want dat hád al een betekenis… Voorzienigheid, dat was het!

Zo kwam het dat het Nederlands twee bijna identieke woorden verwierf, ‘voorzichtigheid’ en ‘voorzienigheid’, die allebei teruggaan op een Latijnse samenstelling van pro en videntia. En niemand die dat had voorzien. Want regeren is dan wel vooruitzien (of, aangezien het een Franse uitdrukking is: prévoir, ook weer een verbastering van pro-vidēre) maar praten niet. Praten is een kwestie van improvisatie. En im-pro-visatie is nou juist: niet vooruit-zien.

h1

Ik ben een Spaanse Hongaar

januari 12, 2012

Soms herhaalt de geschiedenis zich, en je hebt het niet eens door.

In het Limburgs waarmee ik opgroeide, bestaat een medeklinker die je schrijft als ‘lj’ (voor de liefhebbers: een gepalataliseerde l, fonetisch symbool: ʎ). Hij verschijnt soms op plekken waar in het Nederlands ‘ld’ staat: hield is in mijn dialect heelj, naald is naolj, zelden is zelje. Alleen, dat is me als kind nooit opgevallen. Ik meende ‘heej’, ‘naoj’ en ‘zejje’ te horen, en dat zei ik dus ook. Pas later vernam ik de dwalingen mijns weegs, en ging ik alsnog de juiste medeklinker uitspreken. Zo ongeveer althans, want het is - vooral als hij aan het eind van een woord staat - best een moeilijke klank om op latere leeftijd nog aan te leren.

Wat blijkt nu? In het Spaans en Hongaars is mijn fout veel wijder verbreid. Een Spaans woord als calle ‘straat’ wordt officieel als ‘kalje’ uitgesproken, maar de meeste Spaanstaligen maken er tegenwoordig ‘kajje’ van. (Opnieuw voor de liefhebbers: dat verschijnsel heet yeísmo.) En in het Hongaars, zo ontdek ik net, klinkt de lettercombinatie ‘ly’ hetzelfde als de letter j: hely ‘plaats’ wordt uitgesproken als ‘hej’. Ik weet zo goed als zeker dat deze ‘ly’ vroeger als ‘lj’ klonk, want alle andere y’s in het Hongaars hebben nog steeds zo’n soort functie: ‘ny’ wordt bijvoorbeeld uitgesproken als ‘nj’ (oftewel ñ). Mijn fout is in het Hongaars dus officieel correct geworden.

Kortom: toen ik naoj zei, versprak ik me, maar ik versprak me in commissie.

h1

Pauvres wallons

januari 8, 2012

Je zult als Waal toch Nederlands moeten leren – een crime lijkt me dat. Hoe moet je je dat eigen maken als je mede-Belgen zo zelden de standaardtaal bezigen?

Daarmee wil ik niet suggereren dat Vlamingen exact hetzelfde Nederlands zouden moeten spreken als Nederlanders. Oostenrijkers spreken ander Duits dan Duitsers, Schotten en Engelsen praten verschillend, de taal van Québec is anders dan die van Frankrijk. Eigen uitspraak, eigen woorden en uitdrukkingen. Dat de Vlamingen hun eigen standaard eropna houden, is dus geen probleem of uitzondering.

Alleen, ik heb sterk het idee dat ze die standaard in de praktijk nauwelijks nastreven. Als ik spreek met Vlamingen, goed opgeleid en alleszins genegen om zich tegen mij, buitenlander, verstaanbaar uit te drukken, mengen ze toch nog steeds dialect door hun spreektaal. “Zie-de daar dien hogen toren?” – dat soort zinnetjes.

Ik versta het, ik vind het niet lelijk, ik vind het ook niet dom. Kortom: het stoort me niet. Maar als ik een Waal was, zou het me wel storen. Want wat moet ik nou leren?! Hoe moet ik me zelf uitdrukken, in mijn NT2? Ik zou als Waal geloof ik het liefst “Zie je daar die hoge toren” leren, want dat is in het hele taalgebied correct. Of desnoods “Ziet ge daar die hoge toren”, want dat is eveneens correct, hoewel onmiskenbaar zuidelijk. Maar vervolgens zou ik er niet van gediend zijn dat vrijwel elke landgenoot met wie ik spreek ‘zie-de’ en ‘’dien hogen’ zegt, of een andere variant (‘ziede ge’, ‘diën hoëgen’, ‘dien ’ogen’ enzovoort).

Of ben ik te streng? Tenslotte kent ook Nederland regionale uitspraakverschillen, die voor anderstaligen problemen opleveren. (Een Duitse die ik bijna dertig jaar geleden Nederlands leerde, had moeite om Nederlands te verstaan als daar niet mijn toenmalige Limburgse accent in doorklonk.) En ook in Frankrijk, Duitsland en Engeland zijn regionale tongvallen bepaald niet onbekend. Maar ten eerste heb ik het idee dat in die landen een veel groter deel van de bevolking met succes probeert de standaardtaal te benaderen. En ten tweede hebben we het in de Vlaamse voorbeeldzin niet eens zozeer over uitspraak als wel over grammatica. ‘Zie-de’ en ‘dien hogen toren’ zijn domweg fout, in welk Standaardnederlands dan ook.

Vandaar: arme Walen. Ik snap best dat de meesten van hen liever Engels leren.

****

Naschrift: Nadat ik het bovenstaande schreef, stuitte ik in het – zeer lezenswaardige – boek Dag Vlaanderen! van de Waalse journalist Christophe Deborsu op nog een andere klacht, namelijk dat veel Vlamingen hun Franstalige landgenoten nauwelijks de kans geven om het Nederlands te oefenen. Ze staan erop Frans te spreken – om die taal nog beter onder de knie te krijgen.

h1

De fijne nalatenschap van tweedetaalleerders

januari 2, 2012

Waarom zijn Baskisch en Georgisch zo moeilijk en Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk? Taalkundige John McWhorter, auteur van What language is, is er gauw mee klaar, of althans zo gauw als deze breedsprakige schrijver kan: het komt door de tweedetaalleerders.

In het verre verleden hebben zulke grote aantallen volwassenen Oudengels, Oudspaans (Latijn dus) en Oudperzisch geleerd, dat ze die talen als het ware hebben overgenomen. Al lerend zetten ze allerlei complicaties overboord. Vooral de naamvallen, de woordgeslachten en allerlei werkwoordsvervoegingen moesten het ontgelden. De afgeslankte versies die zo ontstonden, werden de nieuwe norm. Vandaar dus dat hedendaags Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk te leren zijn.

Of nou ja, makkelijk – in de eeuwen sindsdien hebben de sprekers weer allerlei nieuwe complicaties gefabriekt. Maar toch, vergeleken met naaste verwanten die deze vereenvoudiging niet hebben doorgemaakt, zoals Duits en Pasjtoe, zijn het nog steeds studentvriendelijke talen. En helemaal vergeleken met oude, introverte zonderlingen als Baskisch en Georgisch, het tweetal waarmee ik hierboven begon. (Voor onderbouwing en precisering van deze visie verwijs ik naar het boek. Een lekker leesboek, want McWhorter mag dan veel woorden nodig hebben, hij schrijft toegankelijk en zeer onderhoudend.)

McWhorters betoog heeft me op een aantal gedachten gebracht. Sommige zullen hout snijden, misschien zelfs breed aanvaard zijn onder specialisten. Andere zullen wellicht onzin zijn. Ik leg ze hier graag aan jullie verzamelde deskundigheid voor, en ben benieuwd naar jullie kennis en meningen.

* De talen van Scandinavië (ik baseer me  nu vooral op  Noors en Deens; van Zweeds weet ik minder) zijn bijna even sterk vereenvoudigd als het Engels: vrijwel geen naamvallen meer, nog eenvoudiger werkwoordsvervoegingen dan het Engels en een beperking van het aantal woordgeslachten, zij het iets minder rigoureus: van drie naar twee. Maar is Scandinavisch dan ook ooit door grote aantallen volwassenen geleerd? Ja, ik geloof van wel: door vrouwen die in de vroege Middeleeuwen door Vikingmannen werden geroofd uit zuidelijker streken. En juist zij waren natuurlijk in de gelegenheid om hun ‘gebroken Scandinavisch’ door te geven, namelijk aan de kinderen die ze met die Noormannen kregen. Dit verschijnsel heeft zich op IJsland niet voorgedaan – en daar is het oorspronkelijke Scandinavisch dan ook verregaand bewaard gebleven.

* Eenzelfde vereenvoudiging heeft welbeschouwd ook het Nederlands doorgemaakt, in iets mindere mate: de naamvallen zijn in de spreektaal al eeuwen dood, de werkwoordsvervoegingen zijn flink vereenvoudigd en het aantal geslachten is van drie naar twee gedaald. Dat laatste geldt met name voor het Hollands, en dat lijkt me veelzeggend: juist Holland is al eeuwen een immigratiegebied, met een instroom van Vlamingen, joden, VOC-zeelieden uit allerlei landen, hugenoten en vast nog meer groepen waar ik nu niet aan denk. Zou dat kunnen verklaren waarom het Hollands meer ‘gestroomlijnd’ is dan andere dialecten – en als dominant dialect ook de standaardtaal vereenvoudigd heeft?

* Even terug naar Scandinavië: het moderne Noors, preciezer gezegd het Bokmål, is grotendeels ‘vernoorst Deens’, ontstaan in de tijd dat Noren naast hun eigen Noorse dialecten ook het Deens van de overheersers leerden, van de late Middeleeuwen tot de Napoleontische tijd. Zou dat verklaren waarom de moderne Noorse meervoudsvorming veel regelmatiger is dan de Deense? Of zijn de Noorse dialecten op dit punt ook al regelmatig? Ik vermoed van niet, maar het zou kunnen.

* Europa vertoont op het gebied van naamvallen een opmerkelijke oost-westverdeling: in het westen hebben alleen een paar kleine taaltjes hun naamvallen behouden; in het oosten, beginnend in Duitsland, zijn de naamvallen nog springlevend. Je zou het ook anders kunnen zeggen: de traditionele zeevarende naties, met hun talrijke internationale contacten, hebben de naamvallen overboord gezet, de volken in de binnenlanden hebben ze behouden. Wel is het áántal naamvallen in het oosten hier en daar kleiner geworden, namelijk in het Jiddisch en in de talen van de Balkan. Ik kan dit niet nauwkeurig met een bepaald historisch moment verbinden, maar zeker is dat zowel de Midden- en Oost-Europese joden als de Balkanbewoners eeuwenlang twee- of meertalig zijn geweest. Fases waarin een grote groep volwassenen zich een nieuwe taal moest eigen maken, kunnen zich dus makkelijk hebben voorgedaan; bij de joden bijvoorbeeld toen ze zich in het Rijngebied vestigden.

Ik herhaal: laat de weerleggingen, de bijval en de aanvullingen maar komen!

Naschrift: de Scandinavische talen zijn hun naamvallen en dergelijke pas in de late Middeleeuwen kwijtgeraakt, dus de hierboven genoemde verklaring kan niet kloppen. Jammer; ik vond hem zo elegant!

h1

De bolwerken van ‘het’

november 5, 2011

Het lidwoord het kan inderdaad verdwijnen, beweerde ik in mijn vorige blogpost. Maar het is natuurlijk óók denkbaar dat er uitzonderingen overblijven. We gebruiken tenslotte ook nog steeds oude naamvalsvormen zoals destijds, inderdaad en ter zake, hoewel het naamvalssysteem dood en begraven is (persoonlijke voornaamwoorden uitgezonderd). Ik zie vier kandidaten voor die uitzonderingspositie:

1 Zeer frequente woorden als ‘ding’ en ‘huis’. Hoe vaker uitzonderingen voorkomen, des te hardnekkiger zijn ze. Vergelijk het met de sterke werkwoorden: hun aantal neemt al eeuwen geleidelijk af en ‘foute’ vormen als meette voor mat en vaarde voor voer komen veel voor. Toch zegt nooit iemand doede of stade.

2 Verkleinwoorden. Die categorie is moeiteloos herkenbaar aan zijn uitgang. Dat is een extra herkenningspunt, dat de onzijdigheid wellicht in stand houdt. Anderzijds: voor woorden als meisje en hondje is ‘de’ misschien wél een optie, omdat levende wezens zich niet goed verdragen met ‘het’. En wie weet slepen ze de andere verkleinwoorden met zich mee.

3 Zelfstandig gebruikte werkwoorden, zoals ‘het fietsen’. De uitgang -en duidt bij Nederlandse zelfstandige naamwoorden meestal op een meervoud (er zijn uitzonderingen, zoals haven en baken). Nú onderscheidt het lidwoord nog het fietsen van de fietsen en het bakken van de bakken. Misschien voorkomt dat verschil vaak genoeg misverstanden om behouden te blijven.

4 Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden, zoals ‘het goede’ en ‘het schone’. Het woord de zou hier verwarrend zijn omdat het zelfstandig naamwoord dan op een persoon lijkt te slaan, dus dat pleit voor het behouden van het. Het Nederlands zou niet de eerste taal zijn die voor deze categorie een uitzondering maakt: in het Spaans krijgen álle zelfstandige naamwoorden een vrouwelijk of mannelijk lidwoord (la, el), behalve deze ene groep: lo bueno betekent ‘het goede’.

Wat ten slotte ook nog kan, is dat het lidwoord ‘het’ uitsterft in de spreektaal, maar nog heel lang voortbestaat in de schrijftaal. Tenslotte hebben we ook nog tot in de jaren veertig naamvallen geschreven die al eeuwen uitgestorven waren, om maar te zwijgen van het hardnekkig gehandhaafde verschil tussen hen en hun.

h1

‘Het’ wankelt wel

november 5, 2011

Het lidwoord het staat onder druk en zou op langere termijn plaats kunnen maken voor de, voorspellen drie Amsterdamse taalwetenschappers. Onze Taal bracht het nieuws, veel andere media namen het over en de gebruikelijke reacties volgden: misverstanden (“Niemand zal toch ‘De onweert’ zeggen”), grappen (“Hetze wordt deze”, “De je van de”) en onbezonnen verontwaardiging (“Taalverloedering!” “Het komt door de Marokkanen!” “Hebben taalkundigen niets beters te doen?”).

Dat was allemaal niet verrassend. Dit soort kabaal lijkt soms bijna geregisseerd. Toen er begin 2010 een discussie was over ‘hun hebben’, was dezelfde onzichtbare regisseur ook al actief. Wat me ditmaal wél verraste, was dat nogal wat mensen de voorspelling eenvoudigweg niet geloofden. “Onzin. ‘Het’ verdwijnt niet”, zag ik iemand twitteren die ik doorgaans serieus neem. En tot mijn verrassing zag ook mijn taalkundig onderlegde vriendin Jenny Audring het niet gebeuren, zo meldde ze op haar blog. En wie weet hebben ze gelijk. Taalverandering is moeilijk te voorspellen.

Toch vind ik de voorspelling geloofwaardig. Ik denk namelijk dat het lidwoord het al flink wankelt, voornamelijk doordat het-woorden steeds minder makkelijk te herkennen zijn.

Het-woorden ofwel onzijdige zelfstandige naamwoorden onderscheiden zich in het Nederlands van hun niet-onzijdige collega’s op meerdere punten. Ik noem er vier, ik denk de belangrijkste:
1 Het bepaald lidwoord is uiteraard het, niet de: ‘het raam’ maar ‘de ruit’. Daar ging de ophef van de week over.
2 Het aanwijzend voornaamwoord is dat, niet die: ‘dat raam’ maar ‘die ruit’.
3 Het betrekkelijk voornaamwoord is dat, niet die: ‘het raam dat’, ‘de ruit die’.
4 Na het woordje een of geen krijgt het bijvoeglijk naamwoord géén -e: ‘een groot raam’, ‘een grote ruit’.
Terloops zij opgemerkt dat dit allemaal alleen in het enkelvoud geldt; in het meervoud zijn onzijdige woorden helemaal niet te herkennen.

De vier genoemde punten lijken vanzelf te spreken, maar in feite is er zeker één aan flinke erosie onderhevig, en een ander aan beginnende slijtage. Het zwakste staat punt 3: hoewel we allemaal schríjven ‘het raam dat’, zéggen we in feite vaak iets anders. We zeggen ‘het raam wat’ of – hou je vast – ‘het raam die’. Ik weet bijna zeker dat je dit laatste niet gelooft. En toch is het waar. Sinds Jenny Audring me er ruim twee jaar geleden op geattendeerd heeft, heb ik een eindeloze stroom voorbeelden gehoord van onzijdige woorden met daarachter het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’. En nee, niet van tweedetaalsprekers, maar van volslagen autochtone, hoog opgeleide Nederlanders, ver vóór het borreluur (mezelf niet uitgezonderd). ‘Het probleem die dat veroorzaakt’, ‘een parkeervak die net nog vrij was’, ‘een boek die dat beweert’ – het houdt niet op.

Punt 4 wankelt misschien niet echt, maar de eerste trillingen zijn al wel te zien. Van de week hoorde ik iemand, ook weer een intelligente moedertaalspreker, zeggen dat iets “geen praktische nut heeft”. Dit komt minder vaak voor, maar het komt voor. Een beetje op de grens van punt 3 en punt 4 ligt een grammaticale constructie die juist in schrijftaal geregeld opduikt: ‘het formulier welke’, met een overbodige -e dus.

Als de erosie van de punten 3 en 4 doorzet, kunnen sprekers steeds minder vaak horen welke woorden onzijdig zijn. En juist die constante herinnering is nodig om zo’n zinloos systeem in stand te houden. Vergelijk het met het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. Eeuwen geleden waren die op allerlei manieren herkenbaar: aan afwijkende lidwoorden, afwijkende betrekkelijke en aanwijzende voornaamwoorden en afwijkende verbuigingen van het bijvoeglijk naamwoord. Elke sprekers wist daardoor feilloos welk woord tot welke categorie behoorde – en in dialecten die de verschillen bewaard hebben, weten sprekers dat nog steeds. Maar naarmate die verschillen vervaagden, bleven er minder herkenningspunten over. Nu zijn mannelijke en vrouwelijke woorden alleen nog te herkennen aan de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (hij, hem, zijn; zij, haar). Dat is te weinig om het systeem in leven te houden, zo is gebleken, want het grammaticale verschil tussen mannelijk en vrouwelijk is in feite uit het Nederlands verdwenen (hij en zij weerspiegelen nu enkel een biologisch verschil). Alleen in de schrijftaal houden we de illusie nog in stand.

Wat met mannelijk en vrouwelijk is gebeurd, kan ook met onzijdig gebeuren, en om dezelfde reden: dat er steeds minder signalen zijn die het woordgeslacht duidelijk maken. Kortom: ja, het lidwoord het kan denk ik verdwijnen.

****

Zie ook de volgende blogpost.

h1

Een beeld en een babbel

november 2, 2011

 ‘Cluster’ is een kunstwerk van Kees Bierman, bestaande uit drie in een driehoek opgestelde, rechtop staande, raketachtige vormen van draad, die in het midden in elkaar overlopen. Het gidsje van de beeldentuin Anningahof in Zwolle zegt er het volgende over:

Drie identieke objecten, ieder met een verticale dynamiek, vormen door versmelting een nieuwe eenheid. Als ze massief gesloten zouden zijn geweest zou dat vragen over het inwendige van het beeld oproepen.
Echter door de transparante constructie wordt een inwendige leegte zichtbaar. Een illusie van massaliteit. Als men op enige afstand van het beeld loopt treedt ‘optische beweging’ op, doordat de waargenomen spijlen aan de zichtzijde zich optisch vermengen met die van de achterzijde.

Ik ben van mening dat dit begrijpelijker uitgedrukt kan worden. Ik heb een poging gewaagd:

Drie identieke objecten,
Drie dezelfde voorwerpen,
ieder met een verticale dynamiek,
schijnbaar omhoog bewegend,
vormen door versmelting een nieuwe eenheid.
zijn aan elkaar bevestigd tot één geheel.
Als ze massief gesloten zouden zijn geweest
Als ze ondoorzichtig waren geweest,
zou dat vragen over het inwendige van het beeld oproepen.
zouden we benieuwd zijn wat erin zat.
Echter door de transparante constructie
Maar doordat ze doorzichtig zijn
wordt een inwendige leegte zichtbaar.
zien we dat ze leeg zijn.
Een illusie van massaliteit.
Een schijn van volheid.
Als men op enige afstand van het beeld loopt
Als men op enige afstand van het beeld loopt
treedt ‘optische beweging’ op,
lijkt het te bewegen,
doordat de waargenomen spijlen aan de zichtzijde zich optisch vermengen met die van de achterzijde.
doordat de spijlen aan de voor- en achterkant elkaar kruisen als gevolg van perspectief.

Maar is mijn versie nog wel interessant? Ik vrees van niet: ze doet niet veel meer dan stomweg beschrijven wat de kijker ook zonder toelichting kan zien. Maar dat betekent dus – tenzij ik iets vreselijk fout heb gedaan – dat de eerste versie evenmin iets toevoegde. De oorspronkelijke tekst was in dat geval ‘een transparante constructie van keizerlijk textiel’, als ik me een kleine parodie mag veroorloven.

Ik vond het wel amusant om dit tekstje uit elkaar te plukken. Maar eigenlijk vind ik het vooral treurig dat het er staat. Want denk nou niet dat ik Cluster een lelijk of slecht beeld vind. Andere op Anningahof spreken me meer aan, maar dit werk misstaat er niet, en de beeldentuin als geheel was het bezoeken zeker waard.

Het tekstje heeft geen afzender. Zou het van de kunstenaar zelf komen, van een bevriende kunstkenner, van de mensen van de beeldentuin? En wat zou de schrijver gedacht hebben? ‘Wat een prachtig beeld – laat ik alles beschrijven wat ik erin zie’? ‘Het is een eenvoudig beeld, laat ik het verrijken met ingewikkelde taal’? ‘Er moet een tekst bij, laat ik er maar waar artibabbel tegenaan gooien’? Wie zal het zeggen. In ieder geval zou mijn advies zijn: doe het niet. Zeg nog liever niets. Want ik vrees, mét Joost Swanborn*, dat dit soort geleuter de kunst vooral een slechte naam bezorgt.

 ***

 * ‘Taaldokter’ Joost Swanborn heeft deze zomer een discussie over ‘holle kunstpraat’ aangezwengeld. Op zijn website is die nog terug te lezen. De oudste stukken staan onderaan.

h1

Allemaal andersklinkenden

september 18, 2011

Zaterdagochtend – ik had uitgeslapen en liep nog in ochtendjas – werd ik gebeld door een medewerkster van het radioprogramma Cappuccino (Radio 2, NCRV, weet ik nu). Een jonge luisteraar wilde weten waarom talen zo verschillend klinken, vertelde ze. Leuke vraag. En of ik dat zo dadelijk in de uitzending telefonisch wilde uitleggen. Ja hoor.

Nadat ik me snel een beetje presentabel had gemaakt – zelfs aan de telefoon psychologisch belangrijk, vind ik – heb ik drie oorzaken genoemd voor die uiteenlopende klanken.

1. Met onze mond kunnen we heel veel verschillende geluiden maken. Uit al die geluiden heeft elke taal zijn eigen keuze gemaakt. Het Nederland gebruikt rond de 50 klanken (fonemen, maar met dat woord heb ik de luisteraars niet lastiggevallen), andere talen minder, nog weer andere meer. Het setje klanken dat een taal gebruikt, is vrijwel nooit precies gelijk aan dat van een andere taal. Dus klinken ze allemaal verschillend.

2. Sommige talen, zoals Spaans en Japans, hebben korte, simpele lettergrepen: torero, Fujimori. Die vuren de sprekers in hoog tempo af. Andere talen, zoals het Nederlands, hebben (gemiddeld) langere, complexere lettergrepen: wolk, drink, schreeuwt. Die houden de spraakstroom nogal op. Gevolg: sommige talen klinken veel sneller dan andere.

3. In sommige talen, zoals Chinees, Kroatisch, Papiaments en Limburgs, heeft een woord een andere betekenis al naar gelang de ‘melodie’ (toon) waarmee de klinkers worden uitgesproken: laag, dalend, stijgend, enzovoort. Zulke toontalen klinken zangeriger dan bijvoorbeeld het Nederlands, waarin de toon er voor de betekenis van een woord niet toe doet.

Ik vond dat ik dit antwoord in een paar minuten aardig bij elkaar had geïmproviseerd. Maar er zijn vast nog wel meer oorzaken te bedenken dan deze drie. Iemand suggesties?

***

Je kunt de uitzending hier beluisteren. Mijn bijdrage begint op 2:35:58.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 29 other followers