Penval

vallende-pennen

Ill.: Minke Koopman

Onderstaand stukje heb ik geschreven voor ‘Schrijf! 2017’, een schrijversevent in de Amsterdamse bibliotheek dat ik op 11 februari zal toespreken.

Iedereen heeft een tongval. We klinken Twents of Rotterdams, Marokkaans of corporaal. Of denk je dat jijzelf, als Nederlandse schrijver, strikt neutraal praat? Vraag dan maar eens aan een Vlaming hoe die daarover denkt. Ongemerkt zijn we in onze gesproken taal besmet door degenen met wie we omgaan. Jij, ik, wij allemaal.

Trouwens, in onze geschreven taal net zo goed. En ik bedoel nu niet dat jouw stijl misschien wel de invloed laat zien van die literaire auteur die je zo bewondert. Nee, helaas: onze papieren tongval, onze penval, bestaat vooral uit allerlei wijdverbreide schrijfmaniertjes. En júíst wijdverbreid onder de wat hoger opgeleide taalminnaars. We hebben in ons hoofd een hele hersenkwab vol regeltjes die sluimert zolang we kletsen, maar die aanspringt zodra we de hand aan het toetsenbord slaan. We zéggen onbekommerd dingen als ‘dat is de baas d’r stoel’ en ‘dat overhemd, waar heeft ie die gekocht?’ (Jawel, echt, dat zeg je. Hoe hard je het nu ook ontkent, het is zo. Geloof me.) Maar in geschreven teksten beschouwen we die dingen als fout. Fout, fout, fout.

Hoe kan dat nou? Is geschreven Nederlands soms een andere taal dan gesproken Nederlands?

Je zou het bijna denken. Want net zoals we dingen zeggen die we nooit zouden schrijven, schrijven we van alles wat we nooit zouden zeggen. Ik denk aan zinnen als (en ik geef er meteen twee:) ‘De provincie moet haar plannen uitvoeren. Dit is van groot belang.’ Háár plannen? Dit? Wat je zou zéggen, is ‘zijn plannen’ en ‘dat’. Waarom schrijven we dat dan niet? Tja – kwestie van penval.

Let wel, ik beweer niet dat ‘haar’ en ‘dit’ fout zijn. ‘Provincie’ was van oudsher vrouwelijk, en het woord ‘dit’ is in dat zinnetje grammaticaal correct gebruikt. Maar het tekstje is wel meteen iets uit een beleidsstuk. Dat mag, dat is een legitieme keuze. Zeker in een beleidsstuk. Maar het is dus wel een keuze – een stijlkeuze.

Net zoals het een stijlkeuze is, en geen taalfout, om ‘de baas d’r stoel’ te schrijven. Dat is spreektalig, maar het valt nog steeds ruimschoots binnen het begrip ‘algemeen Nederlands’. En kun je naar ‘het overhemd’ verwijzen met ‘die’? Ja. Want al ziet het er op papier raar uit, in ons spreken van alledag doen we dat de hele tijd. En de Nederlandse taal is tenslotte datgene wat Nederlandstaligen met elkaar spreken. Per definitie. Wat zou het anders moeten zijn? Dus als je als schrijver naar ‘overhemd’ verwijst met ‘die’, is dat een stijlkeuze. Een vrij gedurfde stijlkeuze, dat wel. Althans, nu nog.

Bepleit ik nou dat schrijvers er maar met de pet naar moeten gooien? Dat alles goed is en alles mag? Integendeel. Schrijvers van nu moeten het Nederlands van nu grondig beheersen. Liefst in al zijn variatie, van ouderwets tot innovatief, van kansel- tot straattaal: van ‘gij beseft’ tot ‘hun beseffen zich’,  van ‘het maagdeken welk’ tot ‘het meisje die’, en nog veel meer.

Want taalfouten, die bestaan voor schrijvers niet. Voor ons bestaan enkel stijlkeuzes. Om niet voortdurend weer in diezelfde penval te lopen.

****

Een boekje over – en vol met – stijlkeuzes is Vakantie in eigen taal. Gun jezelf of een geliefd iemand een kerstvakantie in eigen taal! Bestel het, bijvoorbeeld hier.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Nederlandse taal en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s