Limbo-Europese werkwoordsvervoegingen

romancoinAl schoffelend in je tuin stuit je op een verweerd stukje metaal. Je legt het in een rommelbak in je schuurtje en vergeet het. Dertig jaar later valt het je weer in handen, je bekijkt het met een frisse blik en denkt: is dat niet een munt? Is het niet zelfs een erg oude en bijzondere munt?

Dit stukje gaat niet letterlijk over een munt; het gaat over zunt, een woord waarmee ik iets vergelijkbaars heb meegemaakt. Ik heb het in mijn basisschooljaren in Margraten vaak gehoord, want het was daar toen, en is daar denk ik nog steeds, uiterst alledaags: de derde persoon meervoud van het werkwoord ‘zijn’: ze zunt al eweg, ‘ze zijn al weg’.

Sinds mijn twintigste of zo heb ik het nog maar zelden gehoord, want mijn ouders verhuisden en in mijn familie vervoegen we het werkwoord ‘zijn’ anders. Maar onlangs kwam ik zunt weer tegen, en toen realiseerde ik me voor het eerst: die t is enigszins opmerkelijk. In het Nederlands eindigt de derde persoon meervoud van de tegenwoordige tijd altijd op -(e)n, net als het hele werkwoord (zeggen, opmerken, gaan). En in het Limburgs geldt die regel in principe ook, al is de uitgang daar niet -en, maar -e. Ze zunt is dus een uitzondering. Een mogelijke verklaring is niet ver weg: ook in het Duits is sie sind de enige uitzondering op dezelfde regel, en het Duits heeft het Limburgs flink beïnvloed.

Opmerkelijker is dat in de dialecten van Margraten en oostelijker ze zunt niet de énige uitzondering is. Als ik mijn geheugenoor goed spits, hoor ik ook ze dunt voor ‘ze doen’, ze gunt (of junt) voor ‘ze gaan’ en ze sjtunt voor ‘ze staan’. Andere vormen op -nt vang ik niet op, hoe scherp ik ook terugluister. (Of toch, versjtunt, maar dat is een samenstelling.) Ik vermoed dat de uitgang zich beperkt tot werkwoorden die in de infinitief geen e-uitgang hebben, maar een n; het groepje dus dat in het Nederlands bestaat uit zijn, gaan, staan en doen (en slaan, maar dat is een geval apart).

Vanwaar die vreemde nt-vormen? In het Standaardduits bestaan ze niet. Maar dan weer wel in het Öcher Platt en Kölsch Platt, de dialecten van Aken en Keulen, en ongetwijfeld alles daartussen. Het is moeilijk googelen op streektalen, maar vormen als stönt en jönt en gönd en dönd zijn met enige moeite te vinden. Niet dat de zaak daarmee afgedaan is. De vraag blijft: waar komen die afwijkende Limburgs-Duitse vormen historisch gezien vandaan?

Opvallend is dat ook in het Latijn werkwoorden in de derde persoon meervoud op -nt eindigen: niet alleen sunt ‘ze zijn’ en stant ‘ze staan’, maar ook cantant ‘ze zingen’ en alle andere. Natuurlijk is het Latijn geen naaste verwant van het Limburgs en het Duits, maar verwant is het wel, ‘hogerop’ zoals dat heet: ze stammen allemaal af van het Indo-Europees. Dus het zou kunnen. (Ik heb trouwens Latijn geleerd toen ik om me heen nog geregeld mensen ze zunt en ze sjtunt hoorde zeggen. Nooit een verband met sunt en stant gelegd. Ongelooflijk. Mijn taaldetector deed het toen kennelijk nog niet.)

Leuk bedacht hoor, een mogelijk verband tussen een streektaal en het Latijn, maar slaat het ook ergens op? De geschiedenis wemelt van de taalkundige doordravers, dus onafhankelijke bevestiging of desnoods weerlegging is meer dan welkom.

Zou het Duitse etymologische woordenboek van Duden iets over de kwestie zeggen? Ja, dat doet het, onder het trefwoord sein. Nadat het onder meer de verwantschap tussen het Duitse ist en het Latijn est heeft vermeld, vervolgt het (en ik vertaal): “Let in het bijzonder op de overeenstemming van (…) Middelhoogduits, Oudhoogduits sint, Gotisch, Oudengels sind met Latijn sunt, Oudindisch sánti ‘ze zijn’.” Hebbes! En niet eens alleen Latijn, maar meteen ook maar Oudindisch oftewel Sanskriet, nondeju! Indo-Europese verwantschap, als ik het niet dacht. Op Wiktionary vind ik dan ook nog een oude Slavische vorm sǫtь oftewel sǫtĭ, waarin de ǫ een nasale o-klank voorstelt: sontĭ dus, in zekere zin. En inderdaad, het oude Indo-Europees had de nt ook al : hsenti. Dit zijn dus allemaal vormen van het werkwoord ‘zijn’, maar ook de andere werkwoorden vormden in die talen hun derde persoon meervoud met behulp van nt.

Kortom, de –nt van zunt is stokoud. In de meeste moderne talen van Europa en Azië is die uitgang of helemaal verdwenen, of afgesleten tot -n (Nederlands, Spaans) of afgesleten tot -t (Russisch). Ik kan er maar drie – of nee, vier – vinden die de -nt behouden hebben. Ten eerste het Frans, maar dan wel alleen op papier, want de n wordt nooit uitgesproken en de t maar zelden. Ten tweede het Standaardduits, maar dan wel alleen in die eenzame vorm sie sind, waarin de d etymologisch bezien eigenlijk een spelfout is. En ten derde de dialecten van Keulen, Aken en oostelijk Zuid-Limburg, die maar liefst vier van zulke vormen hebben bewaard: gunt, dunt, zunt en sjtunt. Hele oude en heel bijzondere munten dus. Een schat!

Maar wel een betrekkelijk kleine schat, moet ik daaraan toevoegen. Want al verder zoekend ontdekte ik niet alleen dat er meer Duitse dialecten zijn met gönd en dönd en stönd, maar ook nog iets opmerkelijkers: in sommige gebieden gebruikt men die uitgang nog bij álle werkwoorden. In Zuid-Zwitserland zegt me si singend, in Oost-Beieren si singand. Oude Indo-Europese ‘munten’, jazeker, maar in die contreien dus ook nog steeds dagelijks taalmiddel.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in vreemde talen en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

5 reacties op Limbo-Europese werkwoordsvervoegingen

  1. Gaston zegt:

    Inmiddels is me te binnen geschoten dat in sommige Limburgse dialecten ook ‘hebben’ een eenlettergrepig werkwoord is, namelijk han, ontstaan uit haben. De derde persoon meervoud is dan ze hant. Of dat ook in het Margratens zo is betwijfel ik, maar een stukje verder naar het oosten zeker wel.

    Via Twitter word ik geattendeerd op de meervoudsvorm ze bent (of bint, of bunt), elders in Nederland. Die komt bijvoorbeeld in de Achterhoek voor. Maar aangezien de meervoudsvormen van de Achterhoekse werkwoorden altijd gelijk schijnen te zijn aan die van de tweede persoon enkelvoud, lijkt dat bunt dus een heel andere oorsprong te hebben dan het Limburgse zunt.

    Like

    • Martin ter Denge zegt:

      Tweants: zeent (sind). Den standaard Nedersaksiesen oetgaank vuur doarde persoon is stam+t. Mer ik hebbe mie der neet genog in verdeept um doar mear oawer te könn verteln.

      Like

  2. René zegt:

    “Hé wat leuk”, dacht ik, “want ik heb dat woord ‘zunt’ inderdaad ook al een hele tijd niet meer gehoord.” Maar ik begreep al snel dat jij het over een ander gebruik van ‘zunt’ hebt. Ik ken het zelf in de betekenis van ‘zonde, jammer’. Toch zunt… Maar dat is natuurlijk een veel plattere zunt dan de edele zunt waar jij het hier over hebt. 😉

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s