h1

Pauvres wallons

januari 8, 2012

Je zult als Waal toch Nederlands moeten leren – een crime lijkt me dat. Hoe moet je je dat eigen maken als je mede-Belgen zo zelden de standaardtaal bezigen?

Daarmee wil ik niet suggereren dat Vlamingen exact hetzelfde Nederlands zouden moeten spreken als Nederlanders. Oostenrijkers spreken ander Duits dan Duitsers, Schotten en Engelsen praten verschillend, de taal van Québec is anders dan die van Frankrijk. Eigen uitspraak, eigen woorden en uitdrukkingen. Dat de Vlamingen hun eigen standaard eropna houden, is dus geen probleem of uitzondering.

Alleen, ik heb sterk het idee dat ze die standaard in de praktijk nauwelijks nastreven. Als ik spreek met Vlamingen, goed opgeleid en alleszins genegen om zich tegen mij, buitenlander, verstaanbaar uit te drukken, mengen ze toch nog steeds dialect door hun spreektaal. “Zie-de daar dien hogen toren?” – dat soort zinnetjes.

Ik versta het, ik vind het niet lelijk, ik vind het ook niet dom. Kortom: het stoort me niet. Maar als ik een Waal was, zou het me wel storen. Want wat moet ik nou leren?! Hoe moet ik me zelf uitdrukken, in mijn NT2? Ik zou als Waal geloof ik het liefst “Zie je daar die hoge toren” leren, want dat is in het hele taalgebied correct. Of desnoods “Ziet ge daar die hoge toren”, want dat is eveneens correct, hoewel onmiskenbaar zuidelijk. Maar vervolgens zou ik er niet van gediend zijn dat vrijwel elke landgenoot met wie ik spreek ‘zie-de’ en ‘’dien hogen’ zegt, of een andere variant (‘ziede ge’, ‘diën hoëgen’, ‘dien ’ogen’ enzovoort).

Of ben ik te streng? Tenslotte kent ook Nederland regionale uitspraakverschillen, die voor anderstaligen problemen opleveren. (Een Duitse die ik bijna dertig jaar geleden Nederlands leerde, had moeite om Nederlands te verstaan als daar niet mijn toenmalige Limburgse accent in doorklonk.) En ook in Frankrijk, Duitsland en Engeland zijn regionale tongvallen bepaald niet onbekend. Maar ten eerste heb ik het idee dat in die landen een veel groter deel van de bevolking met succes probeert de standaardtaal te benaderen. En ten tweede hebben we het in de Vlaamse voorbeeldzin niet eens zozeer over uitspraak als wel over grammatica. ‘Zie-de’ en ‘dien hogen toren’ zijn domweg fout, in welk Standaardnederlands dan ook.

Vandaar: arme Walen. Ik snap best dat de meesten van hen liever Engels leren.

****

Naschrift: Nadat ik het bovenstaande schreef, stuitte ik in het – zeer lezenswaardige – boek Dag Vlaanderen! van de Waalse journalist Christophe Deborsu op nog een andere klacht, namelijk dat veel Vlamingen hun Franstalige landgenoten nauwelijks de kans geven om het Nederlands te oefenen. Ze staan erop Frans te spreken – om die taal nog beter onder de knie te krijgen.

h1

De fijne nalatenschap van tweedetaalleerders

januari 2, 2012

Waarom zijn Baskisch en Georgisch zo moeilijk en Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk? Taalkundige John McWhorter, auteur van What language is, is er gauw mee klaar, of althans zo gauw als deze breedsprakige schrijver kan: het komt door de tweedetaalleerders.

In het verre verleden hebben zulke grote aantallen volwassenen Oudengels, Oudspaans (Latijn dus) en Oudperzisch geleerd, dat ze die talen als het ware hebben overgenomen. Al lerend zetten ze allerlei complicaties overboord. Vooral de naamvallen, de woordgeslachten en allerlei werkwoordsvervoegingen moesten het ontgelden. De afgeslankte versies die zo ontstonden, werden de nieuwe norm. Vandaar dus dat hedendaags Engels, Spaans en Perzisch zo makkelijk te leren zijn.

Of nou ja, makkelijk – in de eeuwen sindsdien hebben de sprekers weer allerlei nieuwe complicaties gefabriekt. Maar toch, vergeleken met naaste verwanten die deze vereenvoudiging niet hebben doorgemaakt, zoals Duits en Pasjtoe, zijn het nog steeds studentvriendelijke talen. En helemaal vergeleken met oude, introverte zonderlingen als Baskisch en Georgisch, het tweetal waarmee ik hierboven begon. (Voor onderbouwing en precisering van deze visie verwijs ik naar het boek. Een lekker leesboek, want McWhorter mag dan veel woorden nodig hebben, hij schrijft toegankelijk en zeer onderhoudend.)

McWhorters betoog heeft me op een aantal gedachten gebracht. Sommige zullen hout snijden, misschien zelfs breed aanvaard zijn onder specialisten. Andere zullen wellicht onzin zijn. Ik leg ze hier graag aan jullie verzamelde deskundigheid voor, en ben benieuwd naar jullie kennis en meningen.

* De talen van Scandinavië (ik baseer me  nu vooral op  Noors en Deens; van Zweeds weet ik minder) zijn bijna even sterk vereenvoudigd als het Engels: vrijwel geen naamvallen meer, nog eenvoudiger werkwoordsvervoegingen dan het Engels en een beperking van het aantal woordgeslachten, zij het iets minder rigoureus: van drie naar twee. Maar is Scandinavisch dan ook ooit door grote aantallen volwassenen geleerd? Ja, ik geloof van wel: door vrouwen die in de vroege Middeleeuwen door Vikingmannen werden geroofd uit zuidelijker streken. En juist zij waren natuurlijk in de gelegenheid om hun ‘gebroken Scandinavisch’ door te geven, namelijk aan de kinderen die ze met die Noormannen kregen. Dit verschijnsel heeft zich op IJsland niet voorgedaan – en daar is het oorspronkelijke Scandinavisch dan ook verregaand bewaard gebleven.

* Eenzelfde vereenvoudiging heeft welbeschouwd ook het Nederlands doorgemaakt, in iets mindere mate: de naamvallen zijn in de spreektaal al eeuwen dood, de werkwoordsvervoegingen zijn flink vereenvoudigd en het aantal geslachten is van drie naar twee gedaald. Dat laatste geldt met name voor het Hollands, en dat lijkt me veelzeggend: juist Holland is al eeuwen een immigratiegebied, met een instroom van Vlamingen, joden, VOC-zeelieden uit allerlei landen, hugenoten en vast nog meer groepen waar ik nu niet aan denk. Zou dat kunnen verklaren waarom het Hollands meer ‘gestroomlijnd’ is dan andere dialecten – en als dominant dialect ook de standaardtaal vereenvoudigd heeft?

* Even terug naar Scandinavië: het moderne Noors, preciezer gezegd het Bokmål, is grotendeels ‘vernoorst Deens’, ontstaan in de tijd dat Noren naast hun eigen Noorse dialecten ook het Deens van de overheersers leerden, van de late Middeleeuwen tot de Napoleontische tijd. Zou dat verklaren waarom de moderne Noorse meervoudsvorming veel regelmatiger is dan de Deense? Of zijn de Noorse dialecten op dit punt ook al regelmatig? Ik vermoed van niet, maar het zou kunnen.

* Europa vertoont op het gebied van naamvallen een opmerkelijke oost-westverdeling: in het westen hebben alleen een paar kleine taaltjes hun naamvallen behouden; in het oosten, beginnend in Duitsland, zijn de naamvallen nog springlevend. Je zou het ook anders kunnen zeggen: de traditionele zeevarende naties, met hun talrijke internationale contacten, hebben de naamvallen overboord gezet, de volken in de binnenlanden hebben ze behouden. Wel is het áántal naamvallen in het oosten hier en daar kleiner geworden, namelijk in het Jiddisch en in de talen van de Balkan. Ik kan dit niet nauwkeurig met een bepaald historisch moment verbinden, maar zeker is dat zowel de Midden- en Oost-Europese joden als de Balkanbewoners eeuwenlang twee- of meertalig zijn geweest. Fases waarin een grote groep volwassenen zich een nieuwe taal moest eigen maken, kunnen zich dus makkelijk hebben voorgedaan; bij de joden bijvoorbeeld toen ze zich in het Rijngebied vestigden.

Ik herhaal: laat de weerleggingen, de bijval en de aanvullingen maar komen!

Naschrift: de Scandinavische talen zijn hun naamvallen en dergelijke pas in de late Middeleeuwen kwijtgeraakt, dus de hierboven genoemde verklaring kan niet kloppen. Jammer; ik vond hem zo elegant!

h1

De bolwerken van ‘het’

november 5, 2011

Het lidwoord het kan inderdaad verdwijnen, beweerde ik in mijn vorige blogpost. Maar het is natuurlijk óók denkbaar dat er uitzonderingen overblijven. We gebruiken tenslotte ook nog steeds oude naamvalsvormen zoals destijds, inderdaad en ter zake, hoewel het naamvalssysteem dood en begraven is (persoonlijke voornaamwoorden uitgezonderd). Ik zie vier kandidaten voor die uitzonderingspositie:

1 Zeer frequente woorden als ‘ding’ en ‘huis’. Hoe vaker uitzonderingen voorkomen, des te hardnekkiger zijn ze. Vergelijk het met de sterke werkwoorden: hun aantal neemt al eeuwen geleidelijk af en ‘foute’ vormen als meette voor mat en vaarde voor voer komen veel voor. Toch zegt nooit iemand doede of stade.

2 Verkleinwoorden. Die categorie is moeiteloos herkenbaar aan zijn uitgang. Dat is een extra herkenningspunt, dat de onzijdigheid wellicht in stand houdt. Anderzijds: voor woorden als meisje en hondje is ‘de’ misschien wél een optie, omdat levende wezens zich niet goed verdragen met ‘het’. En wie weet slepen ze de andere verkleinwoorden met zich mee.

3 Zelfstandig gebruikte werkwoorden, zoals ‘het fietsen’. De uitgang -en duidt bij Nederlandse zelfstandige naamwoorden meestal op een meervoud (er zijn uitzonderingen, zoals haven en baken). Nú onderscheidt het lidwoord nog het fietsen van de fietsen en het bakken van de bakken. Misschien voorkomt dat verschil vaak genoeg misverstanden om behouden te blijven.

4 Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden, zoals ‘het goede’ en ‘het schone’. Het woord de zou hier verwarrend zijn omdat het zelfstandig naamwoord dan op een persoon lijkt te slaan, dus dat pleit voor het behouden van het. Het Nederlands zou niet de eerste taal zijn die voor deze categorie een uitzondering maakt: in het Spaans krijgen álle zelfstandige naamwoorden een vrouwelijk of mannelijk lidwoord (la, el), behalve deze ene groep: lo bueno betekent ‘het goede’.

Wat ten slotte ook nog kan, is dat het lidwoord ‘het’ uitsterft in de spreektaal, maar nog heel lang voortbestaat in de schrijftaal. Tenslotte hebben we ook nog tot in de jaren veertig naamvallen geschreven die al eeuwen uitgestorven waren, om maar te zwijgen van het hardnekkig gehandhaafde verschil tussen hen en hun.

h1

‘Het’ wankelt wel

november 5, 2011

Het lidwoord het staat onder druk en zou op langere termijn plaats kunnen maken voor de, voorspellen drie Amsterdamse taalwetenschappers. Onze Taal bracht het nieuws, veel andere media namen het over en de gebruikelijke reacties volgden: misverstanden (“Niemand zal toch ‘De onweert’ zeggen”), grappen (“Hetze wordt deze”, “De je van de”) en onbezonnen verontwaardiging (“Taalverloedering!” “Het komt door de Marokkanen!” “Hebben taalkundigen niets beters te doen?”).

Dat was allemaal niet verrassend. Dit soort kabaal lijkt soms bijna geregisseerd. Toen er begin 2010 een discussie was over ‘hun hebben’, was dezelfde onzichtbare regisseur ook al actief. Wat me ditmaal wél verraste, was dat nogal wat mensen de voorspelling eenvoudigweg niet geloofden. “Onzin. ‘Het’ verdwijnt niet”, zag ik iemand twitteren die ik doorgaans serieus neem. En tot mijn verrassing zag ook mijn taalkundig onderlegde vriendin Jenny Audring het niet gebeuren, zo meldde ze op haar blog. En wie weet hebben ze gelijk. Taalverandering is moeilijk te voorspellen.

Toch vind ik de voorspelling geloofwaardig. Ik denk namelijk dat het lidwoord het al flink wankelt, voornamelijk doordat het-woorden steeds minder makkelijk te herkennen zijn.

Het-woorden ofwel onzijdige zelfstandige naamwoorden onderscheiden zich in het Nederlands van hun niet-onzijdige collega’s op meerdere punten. Ik noem er vier, ik denk de belangrijkste:
1 Het bepaald lidwoord is uiteraard het, niet de: ‘het raam’ maar ‘de ruit’. Daar ging de ophef van de week over.
2 Het aanwijzend voornaamwoord is dat, niet die: ‘dat raam’ maar ‘die ruit’.
3 Het betrekkelijk voornaamwoord is dat, niet die: ‘het raam dat’, ‘de ruit die’.
4 Na het woordje een of geen krijgt het bijvoeglijk naamwoord géén -e: ‘een groot raam’, ‘een grote ruit’.
Terloops zij opgemerkt dat dit allemaal alleen in het enkelvoud geldt; in het meervoud zijn onzijdige woorden helemaal niet te herkennen.

De vier genoemde punten lijken vanzelf te spreken, maar in feite is er zeker één aan flinke erosie onderhevig, en een ander aan beginnende slijtage. Het zwakste staat punt 3: hoewel we allemaal schríjven ‘het raam dat’, zéggen we in feite vaak iets anders. We zeggen ‘het raam wat’ of – hou je vast – ‘het raam die’. Ik weet bijna zeker dat je dit laatste niet gelooft. En toch is het waar. Sinds Jenny Audring me er ruim twee jaar geleden op geattendeerd heeft, heb ik een eindeloze stroom voorbeelden gehoord van onzijdige woorden met daarachter het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’. En nee, niet van tweedetaalsprekers, maar van volslagen autochtone, hoog opgeleide Nederlanders, ver vóór het borreluur (mezelf niet uitgezonderd). ‘Het probleem die dat veroorzaakt’, ‘een parkeervak die net nog vrij was’, ‘een boek die dat beweert’ – het houdt niet op.

Punt 4 wankelt misschien niet echt, maar de eerste trillingen zijn al wel te zien. Van de week hoorde ik iemand, ook weer een intelligente moedertaalspreker, zeggen dat iets “geen praktische nut heeft”. Dit komt minder vaak voor, maar het komt voor. Een beetje op de grens van punt 3 en punt 4 ligt een grammaticale constructie die juist in schrijftaal geregeld opduikt: ‘het formulier welke’, met een overbodige -e dus.

Als de erosie van de punten 3 en 4 doorzet, kunnen sprekers steeds minder vaak horen welke woorden onzijdig zijn. En juist die constante herinnering is nodig om zo’n zinloos systeem in stand te houden. Vergelijk het met het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. Eeuwen geleden waren die op allerlei manieren herkenbaar: aan afwijkende lidwoorden, afwijkende betrekkelijke en aanwijzende voornaamwoorden en afwijkende verbuigingen van het bijvoeglijk naamwoord. Elke sprekers wist daardoor feilloos welk woord tot welke categorie behoorde – en in dialecten die de verschillen bewaard hebben, weten sprekers dat nog steeds. Maar naarmate die verschillen vervaagden, bleven er minder herkenningspunten over. Nu zijn mannelijke en vrouwelijke woorden alleen nog te herkennen aan de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (hij, hem, zijn; zij, haar). Dat is te weinig om het systeem in leven te houden, zo is gebleken, want het grammaticale verschil tussen mannelijk en vrouwelijk is in feite uit het Nederlands verdwenen (hij en zij weerspiegelen nu enkel een biologisch verschil). Alleen in de schrijftaal houden we de illusie nog in stand.

Wat met mannelijk en vrouwelijk is gebeurd, kan ook met onzijdig gebeuren, en om dezelfde reden: dat er steeds minder signalen zijn die het woordgeslacht duidelijk maken. Kortom: ja, het lidwoord het kan denk ik verdwijnen.

****

Zie ook de volgende blogpost.

h1

Een beeld en een babbel

november 2, 2011

 ‘Cluster’ is een kunstwerk van Kees Bierman, bestaande uit drie in een driehoek opgestelde, rechtop staande, raketachtige vormen van draad, die in het midden in elkaar overlopen. Het gidsje van de beeldentuin Anningahof in Zwolle zegt er het volgende over:

Drie identieke objecten, ieder met een verticale dynamiek, vormen door versmelting een nieuwe eenheid. Als ze massief gesloten zouden zijn geweest zou dat vragen over het inwendige van het beeld oproepen.
Echter door de transparante constructie wordt een inwendige leegte zichtbaar. Een illusie van massaliteit. Als men op enige afstand van het beeld loopt treedt ‘optische beweging’ op, doordat de waargenomen spijlen aan de zichtzijde zich optisch vermengen met die van de achterzijde.

Ik ben van mening dat dit begrijpelijker uitgedrukt kan worden. Ik heb een poging gewaagd:

Drie identieke objecten,
Drie dezelfde voorwerpen,
ieder met een verticale dynamiek,
schijnbaar omhoog bewegend,
vormen door versmelting een nieuwe eenheid.
zijn aan elkaar bevestigd tot één geheel.
Als ze massief gesloten zouden zijn geweest
Als ze ondoorzichtig waren geweest,
zou dat vragen over het inwendige van het beeld oproepen.
zouden we benieuwd zijn wat erin zat.
Echter door de transparante constructie
Maar doordat ze doorzichtig zijn
wordt een inwendige leegte zichtbaar.
zien we dat ze leeg zijn.
Een illusie van massaliteit.
Een schijn van volheid.
Als men op enige afstand van het beeld loopt
Als men op enige afstand van het beeld loopt
treedt ‘optische beweging’ op,
lijkt het te bewegen,
doordat de waargenomen spijlen aan de zichtzijde zich optisch vermengen met die van de achterzijde.
doordat de spijlen aan de voor- en achterkant elkaar kruisen als gevolg van perspectief.

Maar is mijn versie nog wel interessant? Ik vrees van niet: ze doet niet veel meer dan stomweg beschrijven wat de kijker ook zonder toelichting kan zien. Maar dat betekent dus – tenzij ik iets vreselijk fout heb gedaan – dat de eerste versie evenmin iets toevoegde. De oorspronkelijke tekst was in dat geval ‘een transparante constructie van keizerlijk textiel’, als ik me een kleine parodie mag veroorloven.

Ik vond het wel amusant om dit tekstje uit elkaar te plukken. Maar eigenlijk vind ik het vooral treurig dat het er staat. Want denk nou niet dat ik Cluster een lelijk of slecht beeld vind. Andere op Anningahof spreken me meer aan, maar dit werk misstaat er niet, en de beeldentuin als geheel was het bezoeken zeker waard.

Het tekstje heeft geen afzender. Zou het van de kunstenaar zelf komen, van een bevriende kunstkenner, van de mensen van de beeldentuin? En wat zou de schrijver gedacht hebben? ‘Wat een prachtig beeld – laat ik alles beschrijven wat ik erin zie’? ‘Het is een eenvoudig beeld, laat ik het verrijken met ingewikkelde taal’? ‘Er moet een tekst bij, laat ik er maar waar artibabbel tegenaan gooien’? Wie zal het zeggen. In ieder geval zou mijn advies zijn: doe het niet. Zeg nog liever niets. Want ik vrees, mét Joost Swanborn*, dat dit soort geleuter de kunst vooral een slechte naam bezorgt.

 ***

 * ‘Taaldokter’ Joost Swanborn heeft deze zomer een discussie over ‘holle kunstpraat’ aangezwengeld. Op zijn website is die nog terug te lezen. De oudste stukken staan onderaan.

h1

Allemaal andersklinkenden

september 18, 2011

Zaterdagochtend – ik had uitgeslapen en liep nog in ochtendjas – werd ik gebeld door een medewerkster van het radioprogramma Cappuccino (Radio 2, NCRV, weet ik nu). Een jonge luisteraar wilde weten waarom talen zo verschillend klinken, vertelde ze. Leuke vraag. En of ik dat zo dadelijk in de uitzending telefonisch wilde uitleggen. Ja hoor.

Nadat ik me snel een beetje presentabel had gemaakt – zelfs aan de telefoon psychologisch belangrijk, vind ik – heb ik drie oorzaken genoemd voor die uiteenlopende klanken.

1. Met onze mond kunnen we heel veel verschillende geluiden maken. Uit al die geluiden heeft elke taal zijn eigen keuze gemaakt. Het Nederland gebruikt rond de 50 klanken (fonemen, maar met dat woord heb ik de luisteraars niet lastiggevallen), andere talen minder, nog weer andere meer. Het setje klanken dat een taal gebruikt, is vrijwel nooit precies gelijk aan dat van een andere taal. Dus klinken ze allemaal verschillend.

2. Sommige talen, zoals Spaans en Japans, hebben korte, simpele lettergrepen: torero, Fujimori. Die vuren de sprekers in hoog tempo af. Andere talen, zoals het Nederlands, hebben (gemiddeld) langere, complexere lettergrepen: wolk, drink, schreeuwt. Die houden de spraakstroom nogal op. Gevolg: sommige talen klinken veel sneller dan andere.

3. In sommige talen, zoals Chinees, Kroatisch, Papiaments en Limburgs, heeft een woord een andere betekenis al naar gelang de ‘melodie’ (toon) waarmee de klinkers worden uitgesproken: laag, dalend, stijgend, enzovoort. Zulke toontalen klinken zangeriger dan bijvoorbeeld het Nederlands, waarin de toon er voor de betekenis van een woord niet toe doet.

Ik vond dat ik dit antwoord in een paar minuten aardig bij elkaar had geïmproviseerd. Maar er zijn vast nog wel meer oorzaken te bedenken dan deze drie. Iemand suggesties?

***

Je kunt de uitzending hier beluisteren. Mijn bijdrage begint op 2:35:58.

h1

Als bloed iets weet, maakt hij carrière

augustus 12, 2011

“Als je je been niet strekt, weet het bloed niet waar hij naar toe moet”, hoorde ik een jonge sportlerares zeggen. Dat ‘hij’ verbaasde me, want ik zou ‘het’ verwachten. En niet omdat bloed een het-woord is, maar om een heel andere reden.

Als we schrijven, baseren we onze keuze voor ‘hij’, ‘zij’ of ‘het’ doorgaans op het woordgeslacht zoals dat in woordenboeken te vinden is. Naar de-woorden verwijzen we dan met ‘hij’ (man, boot, voortgang, voor Noord-Nederlanders ook melk) of met ‘zij’ (vrouw, snelheid, voor Zuid-Nederlanders en Vlamingen ook melk), naar het-woorden met ‘het’ (huis, talent, water).

Maar als we praten, volgen we steeds vaker een heel ander patroon, zo heeft mijn geleerde vriendin Jenny Audring laten zien in haar proefschrift Reinventing pronoun gender. ‘Zij’ gebruiken we dan alleen nog voor wezens, vooral mensen, die duidelijk van het vrouwelijk geslacht zijn: tante en minister, maar ook meisje en Vlekje. Alle andere wezens en de meeste telbare zaken krijgen ‘hij’: broodrooster en minister, maar ook stoeltje, dier en kip. De neiging om dat te doen is des te sterker als het bedoelde begrip concreet is: naar een boek verwijzen we vaak met ‘hij’ als we het voorwerp bedoelen, maar eerder met ‘het’ als we de inhoud bedoelen: “Hij zit in mijn tas” versus “Het heeft veel indruk op me gemaakt.” Ten slotte zijn er de ontelbare zaken als liefde, sport en melk. Daar verwijzen we in de spreektaal bij voorkeur naar met ‘het’.

Terug naar de sportjuf. Zij had het over bloed – categorie ‘melk’, lijkt me, en dus ‘het’. Toch zei ze ‘hij’. Hoe kan dat?

Ik kan twee verklaringen aanbieden, een vrij saaie en een die ik interessanter vind. De saaie is dat ‘bloed’ voor haar een orgaan is, net als de lever of de biceps. Een concreet ding dus, dat de verwijzing ‘hij’ vereist. Maar die verklaring verdraagt zich slecht met de inhoud van haar uitspraak, lijkt me. Een orgaan dat ergens naar toe moet? Organen zijn honkvast. Vloeistoffen, die verplaatsen zich door ons lichaam. En vloeistoffen zijn typische ‘hets’, geen ‘hijs’, als ik me deze meervouden mag veroorloven.

In de interessantere verklaring komt de inhoud van de hele zin in beeld. Het bloed wéét iets, zegt ze, of om precies te zijn: het weet iets niet. Vraag: wat voor soort, eh, entiteiten is in staat om iets te weten? Antwoord: een menselijk of dierlijk wezen, of een ding dat ‘wezenachtige’ trekjes heeft, zoals een computer. En naar al die wezens – behalve vrouwen – verwijzen we met ‘hij’.

Mijn idee is dus dit: niet het woord bloed bepaalde de keuze van de spreekster voor ‘hij’, maar de eigenschap die ze aan dat bloed toeschreef, namelijk het vermogen tot ‘weten’. Door iets (niet) te weten, werd het bloed van het ‘het-niveau’ opgetild naar het ‘hij-niveau’. Het bloed maakte carrière.

Als deze redenering klopt, hangt de keuze tussen ‘hij’ en ‘het’ dus niet (alleen) af van het zelfstandig naamwoord waarnaar verwezen wordt, maar (ook) van het werkwoord dat zijn activiteit beschrijft. Zolang een vloeistof typisch vloeibare werkzaamheden verricht als stromen, druppelen, stollen, lekken, spatten of schiften, zouden sprekers het verwijswoord ‘het’ moeten gebruiken. Als een vloeistof daarentegen weet, hoopt, streeft, verwacht, meewerkt of tegenstribbelt, ligt ‘hij’ meer voor de hand. Misschien is een hulpwerkwoord als ‘willen’ of ‘durven’ ook al genoeg om de eretitel ‘hij’ te verwerven. En hoe zou het zitten met water dat enigszins menselijke activiteiten ontplooit als murmelen of  linksaf slaan?

Ik weet het niet; ik ga er eens op letten. Vooral tijdens de sportles. Daar vloeien immers bloed, zweet en sportdrank. Een ideale onderzoekslocatie.

h1

Kort en beter

juni 17, 2011

Klagen over sms-taal – ik doe er niet aan mee. En niet omdat ik denk dat het tikken van tientallen telefoonberichtjes per dag geen enkel effect op de schrijftaal zou hebben. Maar juist omdat ik denk en hoop dat het de spelling wél beïnvloedt.

Eén verandering in het bijzonder juich ik toe: allerlei onbeklemtoonde woordjes  – ik, mijn, haar, hij, hem, zijn, het, eens – worden steeds vaker geschreven op een manier die de uitspraak beter benadert: k, mn, (d)r, ie, m, zn, t, (n)s.

Weliswaar is het naar mijn mening soms goed als de spelling niet slaafs de uitspraak volgt. Zo is het verschil tussen woeden, woede, woedden en woedde me dierbaar, en zelfs leiden en lijden hebben misschien wel nut. De spelling verheldert hier de betekenis. De geschreven taal heeft al zo veel handicaps: de klemtoon en de zinsmelodie zijn niet te horen, de lichaamstaal is niet te zien, schrijver en lezer delen niet één omgeving om naar te verwijzen. Laat de geschreven taal daarom vooral gebruik maken van al wat hem wél ten dienste staat. Zoals leestekens, diacritische tekens (bijvoorbeeld in wél) en niet in de laatste plaats spelling.

Schrijvers doen er in mijn ogen dan ook goed aan om consequent ‘me’ te schrijven als dit woord onbeklemtoond is en alleen ‘mij’ als het beklemtoond is. Er staan heel wat mij’s, jij’s en zij’s in Nederlandse teksten die als me’s, je’s en ze’s gelezen moeten worden. (Ik heb de indruk dat je minder vaak wordt verdrongen door misplaatste jou’s en jouw’s.)

Om precies dezelfde reden juich ik woordjes als m en t toe. Het levende gesproken Nederlands maakt verschil tussen hem en m, tussen het en t, dus waarom zouden we dat in de geschreven taal verdoezelen? (Me als bezittelijk voornaamwoord juich ik overigens niet toe. Het woord mijn wordt in ABN uitgesproken als ‘mn’. Al kan dat natuurlijk veranderen.)

Toegegeven, er zijn alternatieven. We kunnen ook ’m en ’t schrijven. De apostrof duidt dan een weggelaten letter aan. Maar waarom is dat nodig? We schrijven toch ook niet broe’r, me’elij’wekkend, t’huis of ’adder? En wat het mogelijke bezwaar betreft dat een woord minstens één klinker zou moeten hebben, al is het maar in de vorm van een apostrof: dat is niet meer dan een Nederlandse spellingconventie, die lang niet overal geldt. Zo heeft het Tsjechisch de voorzetsels ven k.

Er zijn vast nog andere alternatieven te bedenken. Maar dankzij de sms-taal is er nu spontaan een nieuwe conventie aan het ontstaan. Laten we daar ons voordeel mee doen. Ik kom woorden als zn en t al geregeld tegen in mails, vooral van twintigers. Goed zo! Ga door!

K hoop dat t over n paar jaar helemaal geaccepteerd is om zo te schrijven. Sms is dan allang 8erhaald achterhaald, maar zijn weldaden zullen hopelijk voortleven.

h1

Trema? Weg ermee

juni 12, 2011

De Nederlandse tremaregels deugen niet. Het idee achter het trema is eenvoudig genoeg, maar de spellingregelgevers hebben de zaak nodeloos ingewikkeld gemaakt. En eigenlijk kunnen we prima zonder.

Het basisidee is dit: wanneer niet duidelijk is dat er tussen twee klinkers een lettergreepgrens loopt, dan krijgt de eerste klinker na de grens een trema. Bij een groepje van slechts twee klinkers is zo’n grens onduidelijk wanneer deze klinkers doorgaans tot één lettergreep behoren: een woord als priëlen krijgt een trema wegens een woord als hielen, zoölogie wegens zool, vacuüm wegens muur, tubaïst wegens skai, hoboïst wegens ahoi. Bij een groepje van drie (of soms vier) klinkers is de lettergreepgrens onduidelijk als de grens op verschillende plaatsen zou kunnen vallen: zeeën versus geëerd.

Met name die laatste regel wordt inconsequent toegepast. De combinatie iee krijgt wel een trema wanneer hij als ie-e moet worden gelezen (knieën), maar niet als de uitspraak ie-ee luidt (prieel). De combinatie eui: wel als het eu-i is (smeuïg), niet bij e-ui (geuit). De combinatie eie: wel als het e-ie is (geïeld ‘gekletst’), niet bij ei-e: eieren. De combinatie oeie: wel als het oe-ie is (bedoeïen), niet als het oei-e is (boeien).

Maar ook de eerste regel, voor groepjes van twee klinkers, is niet zo helder als hij lijkt. De Engelse klinkercombinatie ea (dealer, sweater, leasen, beat) komt inmiddels heel wat meer voor dan de Latijnse ae (gynaecologie). Toch krijgen woorden als tetraëder en Israël nog steeds een trema, terwijl meander en beademen het zonder moeten stellen.

Meer vreemde zaken: bonsais en Thais krijgt geen trema, maar maïs wel (zij het inmiddels facultatief – nog vreemder), terwijl niemand ‘ma-is’ zegt. Het Franse woord lesbienne krijgt geen trema, maar de even Franse conciërge wel. Of is conciërge inmiddels niet meer Frans? Wel, elektricien evenmin, met zijn k, en toch gaat die zonder trema door het leven.

Ook raar: ei en eu krijgen wel een trema in woorden als geïnteresseerd, geüniformeerd en zelfs geüpdatet, maar niet in baccalaurei en museum. Zijn Latijnse woorden nog altijd sacrosanct en mag er aan hun spelling niet getornd worden? (Maar waarom dan pre in plaats van prae?)

Bovenstaande misstanden heersen al minstens sinds mijn basisschooltijd. De spellinghervorming van – ik meen – 1995 heeft er nog een aan toegevoegd. In dat jaar is een onderscheid ingevoerd tussen samenstellingen, zoals dooreten en slobeend, en afleidingen, zoals gevraagd, heupen en soepachtig. Samenstellingen die voorheen een trema droegen, zoals naäpen en zeeëend, worden sindsdien gespleten door een koppelteken: na-apen, zee-eend. Afleidingen krijgen wel nog steeds twee puntjes: geëist, knieën.

Maar een afleiding als sla-achtig dan weer niet – en vraag niet waarom. Nog zo’n raadsel: waarom zou re-integratie wel een samenstelling  zijn maar reïncarnatie niet? Beide woorden bestaan uit het Latijnse voorvoegsel re- dat ‘weer, her-’ betekent en een aan het Latijn ontleend zelfstandig naamwoord. (Misschien is reïncarnatie als geheel aan het Latijn ontleend en re-integratie later in elkaar gezet uit Latijnse elementen? Maar mogen we van taalgebruikers verwachten dat ze de ontleningsgeschiedenis van een woord kennen?) Kortom: de laatste ingrepen in de tremaregels hebben de chaos alleen maar verder verergerd.

De bedenkers van de tremaregels verdienen al met al een diepe onvoldoende. Gelukkig is er een eenvoudige oplossing: het trema afschaffen. We hebben het hele ding niet nodig. Want welke woorden zouden er zonder trema op twee manieren te lezen zijn? Ik kan er vier bedenken: eis (ook te lezen als e-is, een muzieknoot), geinde (ook ge-inde), beamen (zowel ‘biemen’ als be-amen) en extraneus (ook extrane-us). Ik denk dat alleen die laatste twee redelijkerwijs verwarring zouden kunnen opleveren – maar uitgerekend die twee krijgen nu ook al geen trema! Bovendien: we maken ook geen spellingonderscheid tussen de beide uitspraken van onder meer kantelen, voorkomen en regent. Dus waarom dan wel tussen die van eis en geinde?

Nee, we kunnen het gebruik van het trema in het Nederlands gewoon beëindigen. Beenden, zoals de Duitsers al eeuwenlang zonder problemen schrijven.

*****

Aanvulling. Nog iets vreemds in de spellingregels: hoewel au in het Nederlands normaliter wordt uitgesproken als ou, hoeft er volgens de Taalunie in de naam Saudi-Arabië geen trema op de u. Buitengewoon onlogisch.

h1

Bastaard Berlijn, nobel Napels

mei 16, 2011

Als wij een plaats of gebied in het buitenland bij een Nederlandse naam noemen, ligt het voor de hand te denken dat we de lokaal gebruikelijke naam verbasterd hebben. Berlijn en IJsland hebben ter plaatse geen ij, Venetië en Athene geen slot-e, Boekarest geen a, Nova Zembla geen b en Kopenhagen geen o, geen p en geen g. Allemaal bastaards, inderdaad.

Maar sommige exoniemen – zoals dit soort namen heten – kunnen toch op een iets nobeler (etymologische) stamboom bogen.

Neem Luik. Het lijkt alsof we de Franse naam Liège wel heel erg slecht begrepen en weergegeven hebben, maar zo is het niet. Ooit, in de Romeinse tijd, heette de plaats Leodicum. Sprekers van Frans én Nederlands hebben die naam rigoureus ingekort, alleen iets verschillend. (De Duitsers hebben twee lettergrepen bewaard: Lüttich.) Uit de Romeinse namen Olisibona, Florentia en Neapolis is een Nederlandse vorm ontstaan (Lissabon, Florence, Napels) die in feite minstens even dicht bij het origineel ligt als wat ter plaatse gebezigd wordt (Lisboa, Firenze, Napoli).

In Midden- en Oost-Europa zijn Wenen, Belgrado, Praag en Moskou op het eerste gezicht eigenaardige manieren om Wien, Beograd, Praha en Moskva aan te duiden. Maar de Oostenrijkse hoofdstad heette ooit Wenia; in het Duits is niet alleen de klinker veranderd, maar bovendien de laatste lettergreep helemaal verdwenen, terwijl wij er een restje van bewaard hebben. De Serviërs maken van een l in sommige posities graag een o, vandaar dat Belgrad in hun mond Beograd werd – wij bewaarden de l juist. (De slot-o van Belgrado is een ander verhaal.) De Tsjechen maakten eeuwenlang van elke g een h, en spreken het oude Praga nu al een hele tijd als Praha uit – wij bewaarden juist de g. En Moskou heette vroeger Grad Moskov, ‘stad aan (de rivier) de Moskva’. De stap van Moskov naar Moskou is klein, aangezien die slot-v niet als een f, maar eerder als een w werd uitgesproken.

Dichter bij huis zijn ook Rijsel en Dusseldorp exoniemen waar we ons niet voor hoeven te schamen. Dusseldorp heette in de dertiende eeuw nog exact zo; pas later verschenen de umlaut en de f. En Rijsel ofwel Lille heette ooit Ad Insulam, Latijn voor ‘bij het eiland’. De Franse vertaling was ‘à l’isle’, de Nederlandse ‘ter ijsel’. In beide gevallen verviel het voorzetsel maar bleef het lidwoord bewaard (ter is een samentrekking van het voorzetsel te en het lidwoord der).

Zelfs buiten Europa is niet elk exoniem te wijten aan slordig luisteren of slecht nabootsen. Chinezen spreken de naam van hun hoofdstad nú wel uit als ‘Beijing’, maar enkele eeuwen geleden was die dj-klank nog een k, dus Peking was zo gek nog niet. (Hoe het met die p en die b zit, weet ik niet.)

Nederlandse landennamen, ten slotte, hebben soms ook hun historische rechtvaardiging. Polen heet in Polen dan wel Polska, maar beide versies zijn afgeleid van de Polanen (in het Pools: Polanie), de stam die het gebied al vele eeuwen bewoont. En de Noren spreken in de naam van hun land (Norge) tegenwoordig geen w-klank meer uit, maar dat deden ze vroeger wel degelijk, zij het geschreven als een v: Norvegr.

Dat alles betekent overigens ook dat we voorzichtig moeten zijn voordat we andere talen uitlachen om hún exoniemen. Nimwegen, nu Duits voor Nijmegen, was lange tijd ook hier een gangbare naam (denk aan Mariken!), en in de stad zelf nog steeds. Het Engelse en Franse Cologne voor Keulen lijkt méér op de oude Latijnse naam Colonia dan Köln. En ook Aquisgrán, de Spaanse naam voor Aken, heeft een historische rechtvaardiging: de stad heette in de Middeleeuwen Aquae Granni.

Zelfs namen als Nizozemska, Yr Iseldiroedd, Na Tìrean Ìsle, Herbehereak en Alankomaat, hoe buitenissig ook, zijn geen verbasteringen. De Slowaken, Welshmen, Schotten, Basken en Finnen hebben hier zorgvuldige aandacht aan besteed. Het zijn namelijk allemaal letterlijke vertalingen van ‘Nederland’.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 47 other followers